Het was vier uur deze dinsdagochtend toen hij werd gewekt. Zijn zoontje van acht maanden lacht graag, maar slaapt niet veel. “Wordt het beter”, vraagt Gabriel Paiva Fonseca, universitair docent en vader van twee kleine kinderen, hoopvol. Jenny Schell-Leugers, universitair hoofddocent en moeder van twee tieners, geruststellend: “Ja, het wordt beter. Al komen er andere problemen voor in de plaats, de zorgen om pubers.”
Rapportcijfer
Ongeveer ieder onderzoek naar werkdruk wijst uit dat met name de jongere wetenschappers, dertigers en begin veertigers, zich een slag in de rondte werken. Niet alleen stichten velen in die leeftijdsfase een gezin en werken ze tegelijkertijd hard aan hun carrière. Wat betekent dat voor de werk-privébalans? Concreter: welk cijfer - van één tot tien; een is slecht, tien is geweldig - geven ze daaraan?
Links Gabriel Paiva Fonseca, rechts Jenny-Schell-Leugers Foto: Ellen Oosterhof
“Tussen de zes en zeven”, zegt Paiva Fonseca. “Ik werk graag met 3D-printers, dat is mijn hobby, in mijn vrije tijd maak ik drones en speelgoed voor mijn honden.” Maar die printers gebruikt hij ook voor zijn werk. Meer dan eens zit hij ‘s avonds te ‘knutselen’ aan een prototype. “Bij de MAASTRO kliniek ontwikkelen en verbeteren we radiotherapiebehandelingen. Je wilt een tumor met straling behandelen, maar je wilt de patiënt ook zo min mogelijk extra belasten. Daarom bouw ik thuis of in het lab ‘voorwerpen’ die de werkelijkheid nabootsen, bijvoorbeeld longen die kunnen vervormen of ademhaling simuleren. Als ik dat thuis doe, voelt het niet als werk, ik vind het leuk om te doen. Soms ga ik tot in de late uurtjes door. Maar ik besef dat ik gas terug moet nemen, vooral vanwege mijn gezin. Dat verdient meer quality time.”
Schell-Leugers rapportcijfer komt lager uit. “Een vijf. Niet vreselijk slecht, maar ook niet goed. Al werkte ik voorheen veel meer: iedere weekend en elke avond. Ik had geen lang geen vast contract – ik wachtte zes jaar, ik zat nog in het oude systeem - en zei altijd ja op een vraag. Ik wilde mijn betrokkenheid laten zien, vind veel zaken leuk, ik vond bovendien dat ik geen nee kon zeggen, want dan draaide een ander ervoor op. En er was altijd die onzekerheid, mag ik blijven? Op een bepaald moment ben je alleen nog maar met werk bezig. Ik vraag me nu wel eens af: hoe hield ik dat vol?”
Druk om te presteren
De gamechanger? Gezondheidsproblemen, de diagnose van een chronische ziekte. “Het is jammer dat ik die eerst moest krijgen om dat punt te bereiken.” Al is het sinds ze een vaste aanstelling en een seniorpositie heeft, “makkelijker om nee te zeggen. Je kunt meer zelf bepalen, je moet natuurlijk subsidies binnenhalen, je hebt mensen aan het werk, maar de druk is minder. Ik denk niet meer: als ik dit niet doe dan raak ik mijn baan kwijt.”
Paiva Fonseca herkent die druk om te presteren. “Ik werk in de kliniek, mijn onderzoek moet uiteindelijk van nut zijn voor patiënten, dat geeft extra spanning, maar het is mooi als het lukt.” Net als Schell-Leugers ziet hij het verschil in waardering tussen onderwijs- en onderzoeksprestaties. Daaraan heeft het programma Erkennen en Waarderen (gestart in 2019) nog onvoldoende kunnen veranderen. “Ik geef graag les. Maar dan komt er een beoordeling en zeggen ze: je onderwijs is echt goed, maar het mag je onderzoek niet in de weg gaan zitten. Daardoor lijkt onderwijs een bijzaak, iets dat ik erbij doe, terwijl dat wel de helft van mijn tijd kost. Een nieuw blok ontwikkelen telt veel minder mee dan een gepubliceerd paper. Ik werk vaak in de kliniek, maar ik denk dat het elders ook zo gaat: een grote subsidie wordt gevierd, een nieuwe cursus krijgt veel minder aandacht.”
“Het gaat nog altijd om publicaties en het binnenhalen van geld”
Een universitair hoofddocentschap lonkt, maar het is maar de vraag of hij alle ‘vinkjes’ kan zetten, “je weet niet hoeveel waarde ze aan elk onderdeel hechten. Wil ik verder met mijn carrière dan zal ik de tijd die ik nu aan onderwijs kwijt ben moeten compenseren. Maar het zou niet zo moeten zijn, het is onderdeel van mijn werk én van de universiteit.”
Schell-Leugers prijst zich gelukkig dat ze aan een onderwijsinstituut (UCM) werkt dat onderwijs sowieso belangrijk vindt. Maar ze herkent het verhaal. “Erkennen en Waarderen zou de focus moeten verbreden, maar ik zie om me heen dat het nog altijd gaat om publicaties en het binnenhalen van geld.”
Ouders om de hoek
Hoewel ze meer tijd thuis is, vindt Schell-Leugers dat haar kinderen – haar man werkt nog meer dan zijzelf – af en toe aan het kortste eind trekken. “Ik zou er nog meer voor hen willen zijn. Mijn dochter had het heel pittig bij de start van de middelbare school, dan vind ik eigenlijk dat ik thuis moet zijn in de middag. Vanaf komend voorjaar ga ik minder werken, 32 uur, en me daar ook aan houden. Gelukkig springen mijn ouders heel vaak in als ik er niet ben.”
Die luxe van ouders die om de hoek wonen, heeft Paiva Fonseca niet. “Mijn Braziliaanse vrouw is arts en doet onderzoek aan de Leuvense universiteit. Dat is een uur rijden vanaf Maastricht. Mijn kantoor is vijf minuten met de fiets. Als er iets met de kinderen is, stop ik met werken. Ik heb geen keus, we hebben geen familie hier. Vroeger werkte ik altijd. Mijn vrouw ook. De komst van onze dochter en zoon heeft de kwaliteit van mijn leven verbeterd.”
Hobby’s? Geen tijd voor
Zodra zijn kroost in bed ligt, rond 19.30 uur, gaat hij weer aan het werk: programmeren of ‘spelen’ met zijn 3D-printer. De tv staat bijna nooit aan, wel heeft hij voor zijn zoon ter wereld kwam getraind voor een halve marathon en die ook gelopen.
Of zij hobby’s heeft? Schell-Leugers lacht. “Ik zou niet weten wat, heb er geen tijd voor.” Zij staat iedere dag om 6.45 uur op. Daarna gaat ze vanuit Eschweiler met de auto richting Maastricht om zo rond 18.00 uur weer thuis te komen. Haar ouders hebben die middag al vaak gekookt, waardoor er tijd is voor de verhalen van haar pubers, en, later op de avond, voor de beantwoording van e-mails en appjes. Om 21.30 is ze vaak al moe.
Het goede voorbeeld
Hoe krijg je de werk-privé balans in evenwicht? Wat is daarvoor nodig? “Het begint met goed leiderschap”, zegt Schell-Leugers beslist. “De baas moet een rolmodel zijn. Vandaag kwam een zieke promovendus mijn kamer binnen voor een overleg, die stuur ik naar huis. En als we willen dat werken van negen tot vijf normaal wordt, dan moet je als baas het goede voorbeeld geven. Het zijn niet de jonge mensen die het probleem zijn. Het zijn de ouderen die vinden dat je alleen een goede academicus bent als je tachtig uur per week werkt.” Maar er is meer: “Een goeie leider geeft zijn mensen vrijheid, en, heel belangrijk, hij vertrouwt ze. Dus als een medewerker zegt: ‘Sorry, het lukt me niet, het is te veel’, dan geloof je dat.”
Ze ziet wel verbetering in het leiderschap aan de UM, al gaat het langzaam: “In mijn begintijd werd er tijdens vergaderingen soms geschreeuwd tegen mensen, dat is nu echt een no go. Ik ben blij dat we het erover eens zijn dat de functie van leidinggevende geen carte blanche meer is om te doen waar je zin in hebt.”
“Een goeie leider geeft zijn mensen vrijheid en vertrouwt ze”
Paiva Fonseca ziet hier ook een rol weggelegd voor collega’s die kunnen optreden als mentor. “In het begin voelde ik me een beetje verloren door de onderwijstaken. Ik ben bovendien de enige in mijn groep die blokken coördineert en onderwijs geeft. Ik rende in het eerste jaar van de ene onderwijsgroep naar de andere en vroeg me af: is dit normaal? Het tweede jaar werd het beter. Na gesprekken met collega’s die in hetzelfde schuitje zaten, concludeerde ik dat ik mijn eigen route moest vinden. Ik weet dat ik goed moet plannen en accepteren dat ik niet alles kan doen. Zeker niet nu ik twee kinderen heb.”
Eindoordeel
We zijn een dik uur verder in het gesprek. Blijven ze bij het rapportcijfer voor hun werk-privébalans? Schell-Leugers: “Ik was te streng, vind ik. Hoogstwaarschijnlijk gaf ik zo’n laag cijfer omdat ik me altijd schuldig voel. Thuis als ik met de kinderen ben en mijn mailbox explodeert, op het werk als ik weet dat ze me thuis missen. Ik maak er een zes van.” Tegen Paiva Fonseca: “Maar die van jou moet echt omlaag. Jij werkt ook ’s avonds en in de weekenden. Dat probeer ik juist zoveel mogelijk te vermijden.”
Hij lacht, blijft bij de zes à zeven. “Mijn probleem is dat het vaak niet voelt als werk. Het papierwerk vind ik niet leuk, dat doe ik dan ook niet in de weekenden.” Net als Schell-Leugers ontbreekt het hem aan tijd om na te denken. “Ik lunchte onlangs met mijn baas. Hij vroeg me naar mijn agenda, ze zag geen lege plekken en was onvermurwbaar: ‘Als je onderzoek doet, moet je daar tijd voor inruimen. Anders ben je alleen aan het overleven.’” Dat denken is deel van “ons werk”, concluderen ze. Maar het voelt gek genoeg als luxe, als tijdverspilling.
Paiva Fonseca tegen Schell-Leugers: “Neem een hond. Iedere keer als ik na een wandeling thuiskom voel ik me relaxt. En je hebt tijd om na te denken.”
Riki Janssen en Wendy Degens