Heilloze plannen
Het laatste gevecht? Of beter gezegd, het recentste? Dat is zonder twijfel de lobby geweest om Den Haag af te brengen van heilloze plannen om de internationalisering en ‘verengelsing’ van het hoger onderwijs in te perken. Althans, heilloos voor de UM. Want minder buitenlandse studenten en curricula die vooral Nederlandstalig moesten zijn: dat zou de doodsteek voor de Maastrichtse universiteit betekenen, bezwoer de voorzitter van het college van bestuur Rianne Letschert aan wie het maar wilde horen.
Collegevoorzitter Riannne Letschert tijdens de opening van het academisch jaar
Sterker, voor de regio, zei ze tegen Observant, zou het een economische ramp zijn die ook “de bakkers, de horeca, de bioscopen” zou treffen. Inderdaad, Letschert was, samen met de Limburgse politiek en het bedrijfsleven, behoorlijk op dreef. Ze liep de afgelopen jaren zowel het ministerie van Onderwijs als de Tweede Kamer plat (nu: “Zo kun je het wel stellen, ja …”) en met resultaat: Maastricht krijgt een uitzonderingspositie, tenminste als er onderweg - de desbetreffende wet is nog steeds niet definitief - geen ongelukken meer gebeuren. Met haar optreden plaatste Letschert zich in een opvallende traditie van activistische collegevoorzitters, te beginnen met Sjeng Tans, de man die alom als grondlegger van deze universiteit wordt beschouwd. Maar ook zijn opvolgers wisten van wanten.
Omstreden vanaf het begin
Het zijn de jaren zestig, de Nederlandse bevolking groeit, er zullen meer artsen nodig zijn en bovendien neemt de animo voor de zeven bestaande medische faculteiten toe: die zitten dus vol. Kortom, er is een achtste nodig. Maar waar? Maastricht meldt zich: na de gedwongen mijnsluitingen heeft Zuid-Limburg een nieuwe impuls nodig. Verder stromen Limburgse scholieren veel te weinig door naar het wetenschappelijk onderwijs en iedereen weet dat universiteiten vooral studenten uit de omringende regio rekruteren. Een en een is twee: de achtste medische faculteit moet in Maastricht komen en doorgroeien naar een algemene universiteit. Vinden ze in Limburg. Maar er is een geduchte Brabantse lobby (voor Tilburg of Eindhoven) en ook een Twentse (Enschede) die wijzen op hun objectieve voordelen: er is daar al hoger onderwijs zodat het dure optuigen van een nieuwe instelling inclusief academisch ziekenhuis vermeden kan worden. De Maastrichtse kandidatuur ligt daarom moeilijk, belangrijke adviesraden van de regering zijn tegen, ambtenaren op het ministerie ook. De Tweede Kamer is verdeeld, ook de grote PvdA-fractie. Toch weet hun onderwijsspecialist de partij mee te krijgen en uiteindelijk lukt het: het kabinet kiest in 1969 voor Maastricht, triomf op het Vrijthof, de grote klok van de Sint Servaasbasiliek beiert de stad doof.
En wie was die PvdA-onderwijsspecialist? Sjeng Tans, een Maastrichtenaar, hij zou de eerste voorzitter van het college van bestuur worden. Een vechtjas die meteen weer de ring in kon want in de jaren die volgden sloeg de twijfel toe. De verwachte bevolkingsgroei viel bij nader inzien tegen, met de bestaande zeven geneeskundefaculteiten lukte het op termijn ook wel, klonk het her en der. Zou het kabinetsbesluit overeind blijven? En toen de betrokken ministers de vereiste concrete stappen steeds maar weer uitstelden, werd het opnieuw spannend.
Iets vernieuwends
Maar de initiatiefnemers waren niet voor één gat te vangen. De inhoudelijke opzet van de faculteit was nog tamelijk traditioneel; als we daar nou eens iets bijzonders van maken? Iets vernieuwends, een experimenteel ‘probleemgestuurd’ onderwijssysteem? En inhoudelijk: we gaan een nieuw soort arts opleiden, met de focus op de eerstelijns zorg, op huisartsgeneeskunde, met meer aandacht voor de maatschappelijke aspecten van ziekte en gezondheid. Dat werd de nieuwe koers, samengevat in de zogenoemde Basisfilosofie.
Sjeng Tans, de eerste voorzitter van het college van bestuur, en koningin Juliana tijdens de officiële oprichting van de Rijksuniversiteit Limburg in 1976
En warempel, Maastricht kreeg groen licht. Maar alles duurde zo lang, ze zaten nu al in 1973, Tans kende de politiek en wist dat daar geen zekerheden bestaan, het besluit moest zo snel mogelijk onomkeerbaar gemaakt worden. Dus: zorg dat er studenten zijn, want wie zou een groep enthousiaste jonge dokters in spe nog durven wegsturen? Precies daarom kwamen vijftig ‘cursisten’, ze mochten officieel geen student heten, al in september 1974 binnen. Het was een dappere en zelfbewuste eerste (en ook tweede) lichting die minstens even vechtlustig was als de grondleggers van de faculteit. Ze zouden van zich doen spreken.
Een ziekenhuis, moet dat?
Bijvoorbeeld in de hooglopende discussies over het, of liever: een, academisch ziekenhuis. Moest er zo’n ziekenhuis komen en zo ja, hoe dan? Die vraag lijkt tegenwoordig op zich al absurd: een faculteit geneeskunde, daar hoort toch een academisch ziekenhuis bij? Jazeker, vonden ook de mannetjesputters die bij andere universiteiten waren weggeplukt om hier een ‘kernstaf’ te vormen. Onder hen chirurg Co Greep en andere hoogleraren die zo snel mogelijk een solide faculteit annex ziekenhuis uit de grond wilden stampen. Alleen al om als medisch cluster op langere termijn te kunnen overleven in een politiek klimaat dat rond 1980 steeds meer naar bezuinigen neigde. Want dat is wat tot ver in de jaren tachtig dreigde: sluiting van Maastricht om zo de nationale onderwijsbegroting te ontlasten. Er moest, kortom, als de sodemieter iets worden neergezet waar niemand meer omheen zou kunnen.
Het werd een formidabel gevecht, ook al omdat de voorstanders op twee fronten tegelijk moesten strijden. Want ja, er lag nu eenmaal die basisfilosofie. Die door nogal wat aanhangers binnen de RL werd uitgelegd als: we hoeven juist géén traditioneel academisch ziekenhuis met alles erop en eraan, we hebben genoeg aan de bestaande ziekenhuizen en andere zorginstellingen in de regio en aan de academisering van huisartsenpraktijken.
Idealistische types
En aanhangers waren er genoeg onder jongere medewerkers en vooral de eerste lichtingen studenten. Linksige idealistische types veelal, die hun toekomstige beroepspraktijk anders voor zich zagen; daarom waren ze nou net niet in Leiden of Utrecht gaan studeren.
INKOM 1986, eerstejaars zoeken hun mentorgroepje
Types ook die de weg in de zorgsector, de relevante ministeries en de partijen in de Tweede Kamer, wisten te vinden. Een door hen uitgewerkt plan voor een medische faculteit zònder academisch ziekenhuis ging het land door, tot ergernis van Greep en de zijnen. Helemaal ergerlijk werd het toen er Kamervragen werden gesteld, uiteraard ingestoken door de Maastrichtse dwarsliggers, of nieuwbouw van een ziekenhuis niet strijdig was met de basisfilosofie?
Hoogleraar en chirurg Co Greep kreeg uiteindelijk wat hij hebben wilde: een academisch ziekenhuis in Maastricht
Toen dat eenmaal bekend raakte in het RL-hoofdgebouw aan de Tongersestraat (nu SBE) was het alsof een bom ontplofte. Een dolkstoot in de rug, van de eigen studenten nota bene! Het gevloek van Co Greep zal tot in Eijsden te horen zijn geweest.
Maar het verzet werd gebroken, en zo’n tien jaar later stond er in Randwijck een AZM, nu MUMC+ geheten. Was daarmee alle kou uit de lucht? Tot verbijstering van velen in Maastricht niet. Nog in 1994 circuleerden er Haagse ambtelijke plannen om geneeskunde en academisch ziekenhuis alsnog op te doeken. Toenmalig collegevoorzitter Karl Dittrich vond dat het bewijs “dat de bezuinigingsmaatregelen voor het hoger onderwijs achter een bureau zijn bedacht door een boekhouder in het kwadraat”.
Collegevoorzitter Karl Dittrich
Waar blijft verdomme het geld?
Ruzies, daar stonden de facultaire medici heel lang om bekend. Binnen de faculteit, maar ook met andere nieuwe faculteiten of met het college van bestuur. Ze stonden op hun strepen, lieten zich hun tamelijk riante bekostiging niet zomaar afnemen als een andere faculteit aan de deur klopte. Tot wanhoop van de nieuwkomers.
René Verspeek was van 1982 tot 2003 directeur van wat nu de School of Business and Economics (SBE) heet. In een interview voor het jubileumboek (2022) van de SBE zei hij er dit over:
“Wij hebben ons de eerste jaren eindeloos moeten invechten. Geneeskunde (…) was àlles. En ze bleven daar altijd maar het meeste geld krijgen, het verdeelmodel deugde niet. Terwijl er steeds meer nadruk op groei werd gelegd door het college, dat was daar krampachtig mee bezig. Wij groeiden, maar waar bleef verdomme het geld?”
En dus, zo redeneerden de economen, als het college niet wilde luisteren moesten de hakken maar in het zand.
Verspeek: “Op een bepaald moment zeiden wij: dan maar minder studenten, we groeien sowieso te hard, we hebben toch al moeite om medewerkers te krijgen, zeker bij bedrijfseconomie. (…) Het is een paar keer in de geschiedenis voorgekomen dat we zo op de rem zijn gaan staan. (…) Ik zag het als een van mijn rollen: proberen om - met gestrekt been - in de discussies over het verdeelmodel de liefde voor geneeskunde wat minder te maken. (...) Ons punt was: voor onderwijs moeten we dezelfde norm krijgen. Ook wij hebben groepen van tien studenten, wij doen het bovendien goed in de rankings, eindigen daar steeds op 1 of 2, niet zoals die gemakzuchtige types bij geneeskunde die afzakken naar de derde of vierde plaats.”
Geef de RL een vinger...
Ook met de zusteruniversiteiten botste het regelmatig, want de RL moest groeien om levensvatbaar te zijn, moest dus nieuwe studierichtingen binnenhalen maar ja, de ‘zusters’ interpreteerden dat toch vaak als concurrentie. Neem de inmiddels uiterst succesvolle Faculty of Science and Engineering (FSE), een heuse bètafaculteit die jaar na jaar groeit. Al sinds het prille begin van de RL/UM werd over een bètapoot gedroomd maar door (reëel of verwacht) verzet van elders bleef het veertig jaar bij dromen. Verzet uit Nijmegen bijvoorbeeld, de hardste opposant tegen de eerste plannen voor een Science College – inmiddels zijn ze daar bijgedraaid en werken ze nu zelfs met de FSE samen.
De Nijmegenaren hebben vaker in de geschiedenis dwarsgelegen. Als het in de jaren negentig aan hen had gelegen was hier bijvoorbeeld nooit een opleiding psychologie, laat staan een faculteit van de grond gekomen. De eerste plannen voor een studierichting zagen in 1992 het licht, men zou focussen op de harde bètakant van het vak, biologische- en cognitiepsychologie, een niche in het brede psychologiepalet. En nee, zei initiatiefnemer Louis Boon, het overlapte echt niet met wat er elders in het land gebeurde, daar hadden ze goed naar gekeken, dus minister: een beletsel voor toestemming is er niet. Een Nijmeegse betuurder reageerde verbijsterd in Observant: “Flauwekul. Ze zijn dan zeker niet verder dan Sittard geweest met hun verkenningen.”
Louis Boon, founding father van onder andere de faculteit Psychologie en Neurowetenschappen
Diep wantrouwen
Het zou het begin worden van steeds hardnekkiger tegenstand, ook van Tilburg trouwens waar psychologie zo ongeveer wegbezuinigd was. Gevoed door een diep wantrouwen tegenover de Maastrichtenaren, want men wist: geef ze een vinger…; de RL gaat voor een niche in het vakgebied? Ammehoela, binnen de kortste keren staat er dan een hele faculteit met alles erop en eraan. En daar gaan wij, in Tilburg en Nijmegen die traditioneel veel Limburgse studenten trekken, dan heel veel last van krijgen. Het verzet was trouwens breder, ook andere universiteiten protesteerden: dit nu nog ‘smalle’ initiatief zou ongetwijfeld leiden tot een brede opleiding straks en daar waren er al zeven van. En dat terwijl afgestudeerde psychologen moeilijk aan de bak kwamen.
In 1993 hing het plan aan een zijden draadje, minister Ritzen wees het in eerste instantie af, maar Boon wist tenslotte het tij te keren door de belangrijkste landelijke adviescommissie alsnog te overtuigen. Nijmegen gaf echter niet op en bleef dwarsliggen. Maastrichts collegevoorzitter Loek Vredevoogd ergerde zich in Observant dood aan die houding: “Ze zouden nu eens moeten ophouden.” Uiteindelijk deden ze dat.
Het onderkomen van de eerste lichting psychologen in 1995, op de plek waar later de Universiteitssingel 40 zou verrijzen