In 1988 doet een studentendecaan met een psychologie-achtergrond zijn intrede aan de universiteit. Maar: “Deze vervult vooral reguliere taken, zoals maatschappelijke dienstverlening aan studenten met problemen van sociaaleconomische aard”, schrijft Observant een jaar later. Wat dat precies inhoudt, is niet geheel duidelijk, het zal wellicht met geld(zorgen) te maken hebben. Dat de decaan wel kan doorverwijzen naar de RIAGG (Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg) biedt geen soelaas, daar ligt de focus veel meer op zware psychologische problemen en langdurige behandeling. Die hulp hebben maar weinigen nodig, realiseert zich ook het college van bestuur dat geld vrijmaakt voor een eigen psycholoog binnen de universiteitsmuren.
Parttime
Op 1 januari 1991 moet die beginnen, en “daarmee komt dan hopelijk een einde aan de jarenlange reeks van plannetjes, goede voornemens en al dan niet mislukte experimenten rond dit thema”, aldus Observant. Of het moeilijk bleek om de centen te vinden of er gewoon geen juiste kandidaat was, weten we niet, maar het duurde nog zeker een jaar voordat daadwerkelijk een psycholoog werd aangesteld, althans volgens onze eigen archieven. In 1992 verwelkomt de UM Ruud van den Berg – op parttimebasis.
In een interview met Observant vertelt hij op maandag, dinsdag en woensdagochtend beschikbaar te zijn voor “studenten die ruzie hebben met hun ouders, depressief zijn of tijdens onderwijsgroepen hun mond niet open durven te doen.” Echt storm loopt het niet, de eerste maanden, met gemiddeld zo’n vier gesprekken per week. En niet iedereen die aanklopt, krijgt ook hulp. Wie worstelt met bijvoorbeeld potentieproblemen, zo schrijft deze krant, mag naar de RIAGG, waar deskundigen op het gebied van seksualiteit zitten. Of zich ook echt iemand meldde met die klacht, is nog maar de vraag. Gezien het tijdperk – waarin internet nog geen uitkomst biedt om alles op te zoeken – zou het best weleens zo kunnen zijn. “Niet alle zevenduizend studenten vormen mijn doelgroep”, voegt Van den Berg er nog aan toe, “de meesten willen gewoon even praten.”
Verdubbeling
En dat willen er uiteindelijk steeds meer, in twee jaar tijd verdubbelt het aantal aanvragen en in 1996 komt er een tweede psycholoog bij voor de uitdijende studentenpopulatie. Desondanks blijft het jarenlang aanpoten voor de hulpverleners, studenten klagen over de lange wachttijd van drie tot vijf weken voor een intakegesprek, schrijft Observant in 2002. “Dat is eigenlijk niet acceptabel, maar er is meer vraag dan we aankunnen”, zeggen de psychologen die zelfs doorverwijzen naar collega’s buiten de universiteit.
Rustiger wordt het daarna nooit, met de groei en internationalisering van de universiteit stijgt het aantal hulpvragen, denk dan vooral aan zaken “als stress, faalangst, uitstelgedrag en sombere gevoelens”, meldt het hoofd studentenbegeleiding in 2007. Het zijn onderwerpen waar de inmiddels negen psychologen zich nog altijd over buigen. Zij zien in 2024 ruim negenhonderd mensen langskomen op het inloopspreekuur en bieden workshops, online modules en activiteiten aan om het mentaal welzijn op peil te houden. Klachten over lange wachttijden zijn er nauwelijks nog, “dankzij extra personeel kunnen studenten binnen een week terecht”, meldt Observant begin dit jaar. Gemopper over de zichtbaarheid van de hulpverleners is er wel, niet iedereen weet ze te vinden, ondanks informatie op internet en via onder andere docenten en studentadviseurs. Dat blijft, zo tekent deze krant op uit de mond van de teamleider van de psychologen, “een voortdurend punt van aandacht.”