“Onderwijs krijgt weer beetje meer vlees op de botten”

“Onderwijs krijgt weer beetje meer vlees op de botten”

Interview minister Rianne Letschert

01-04-2026 · Achtergrond

De nieuwe minister van Onderwijs, Rianne Letschert, heeft 1,5 miljard euro extra te besteden en daarmee wil ze ‘stabiliteit en rust’ terugbrengen. “Goed, je weet natuurlijk nooit hoelang ik blijf zitten.”

Rianne Letschert is nu vijf weken minister van Onderwijs namens D66 in een minderheidskabinet met CDA en VVD, dat ze bovendien heeft helpen smeden. Ze was de informateur die de onderhandelingen in goede banen leidde. 

Het onderwijs krijgt er 1,5 miljard euro bij. “Dat is goed nieuws”, zegt ze in Utrecht, waar ze de prijs voor de Docent van het Jaar komt uitreiken. “Daarmee kunnen we een groot deel van de bezuinigingen terugdraaien en ook nieuwe investeringen doen.”

Ze is dus een minister met geld, zegt ze zelf, al moet ze over de besteding nog onderhandelen. De coalitie heeft geen meerderheid, dus wat haar plannen ook zijn, steun van de Tweede Kamer (en daarna de Eerste Kamer) is niet vanzelfsprekend.

Een minister met geld. Is dat een opluchting?

Letschert: “Zeker! Als je kijkt wat de bezuinigingen hebben gedaan binnen het onderwijs en onderzoek… Ik merk bij het mbo, hbo en wo veel enthousiasme om met elkaar te kijken hoe we dat geld goed kunnen besteden.” 

Ze wil graag stabiliteit en rust brengen, vertelt ze. “De afgelopen regeerperiodes zijn er veel wisselingen geweest en dat heeft ook op het gebied van beleid en strategie steeds nieuwe dingen gebracht. En goed, je weet natuurlijk nooit hoelang ik blijf zitten, maar ik hoop vier jaar. Daar gaan we voor.”

Een van de grote onderwerpen in het hoger onderwijs is de stress onder studenten. Wat kan de politiek doen om die te verminderen?

“We gaan de basisbeurs voor uitwonende studenten wat omhoog doen, dus dat geeft wat rust. Financiële stress helpt niet voor je mentale welzijn.”

Dat gaat om een paar tientjes per maand, toch?

“Ja, maar voor een student is dat toch best een substantieel bedrag. Het gaat richting de vijftig euro, dus ik weet niet of dat nou ‘een paar tientjes’ is.” 

En verder?

“Het is ook belangrijk dat universiteiten blijven investeren in allerlei programma's rondom studentenwelzijn. Die kwamen onder druk te staan door die bezuinigingen, want dan gaat het geld toch als eerste naar het onderwijs en onderzoek zelf. De extra middelen van dit kabinet geven het onderwijs weer net een beetje meer vlees op de botten om de programma’s rond sociale veiligheid en mentaal welzijn te kunnen voortzetten.”

Eerstejaarsstudenten krijgen ook stress van het bindend studieadvies. Nieuw onderzoek zet grote vraagtekens bij het nut van het bsa. Gaat u de regels aanpassen?

“Uiteindelijk is het aan de onderwijsinstellingen zelf om te kijken wat ze kunnen doen voor het studiesucces, maar ik ga het onderzoek uiteraard wel goed lezen met de vraag: wat doet het bsa precies en vergt dit onderzoek een nieuwe discussie binnen de sector?”

Maar het onderzoek komt niet uit de lucht vallen en uw voorgangers wilden er graag iets aan veranderen. Ligt het bij u niet op tafel?

“Het onderwerp staat niet in het coalitieakkoord, dus als ik daar iets mee zou gaan doen, zou dat om een gesprek met de coalitie vragen en uiteraard ook met de Tweede Kamer. Maar ik ben vooral benieuwd hoe de sector zelf naar zo’n onderzoek kijkt. Is het bsa de juiste manier om studenten te adviseren en tot ontplooiing te brengen? Die verantwoordelijkheid ligt daar. Het is niet alleen maar aan de politiek.”

Hoe ging die afweging in Maastricht toen u daar bestuurder was?

“Dat verschilde per opleiding en per vakgebied en soms ook per decaan die daar de eindverantwoordelijkheid had. Maar nu ben ik geen universiteitsbestuurder meer.”

De bezuinigingen aan universiteiten en hogescholen komen niet alleen door maatregelen van het vorige kabinet, maar ook door de krimp van het aantal studenten. Ook uit het buitenland kwamen minder studenten hierheen. Het nieuwe kabinet wil weer meer ruimte bieden aan Engelstalig onderwijs.

Gaat u weer internationale studenten naar Nederland halen?

“Naar Nederland halen klinkt zo instrumenteel, maar dit kabinet wil in elk geval kijken naar een ‘gerichte talentstrategie’. We willen een positieve agenda neerzetten en tegelijkertijd ook recht doen aan de knelpunten die universiteiten en hogescholen in bepaalde steden ervaren. De instellingen willen graag zelf de regie kunnen voeren. Daarover ga ik met hen praten.”

Als u vertrouwt op ‘zelfregie’ van het hoger onderwijs, wat is dan de rol van de politiek? Wat is de koers die u als minister uitzet?

“Dat kan ik nog niet delen. Maar ik geef de instellingen graag vertrouwen. Ze hebben jarenlang gevraagd om bepaalde maatregelen van de politiek, zodat ze de internationalisering in goede banen konden leiden. Ze wilden bijvoorbeeld binnen opleidingen een numerus fixus op Engelstalige trajecten kunnen zetten. Die mogelijkheid staat inmiddels in de wet, dus zij kunnen dat stuur nu gaan gebruiken.”

Vertrouwen kan toch niet alles oplossen? Neem de werkdruk onder docenten en onderzoekers. Als bestuurders dat konden oplossen, dan hadden ze het toch al wel gedaan?

“Bij die werkdruk moet je de effecten van de bezuinigingen niet uitvlakken. En de heftige crisis van de coronapandemie heeft ook wel echt iets gedaan met die instellingen. Ik vind dat ze zich daar heel goed doorheen hebben geslagen. Nu komt er een periode van hopelijk vier jaar met een stabiel kabinet, dat weer extra geld in die sector wil stoppen om een zekere rust en stabiliteit te creëren. Dat is ook met het oogmerk om iets tegen die werkdruk te doen.”

Eigenlijk wilde D66 veel meer geld, hè? 

“Altijd!”

Is die 1,5 miljard wel genoeg om de problemen aan te pakken?

“Je moet realistisch zijn. Als je kijkt naar de uitdagingen waar dit land voor staat en wat we bijvoorbeeld vragen van de zorg en de sociale zekerheid, dan ben ik op dit moment gewoon heel blij dat wij binnen deze coalitie 1,5 miljard aan middelen voor het onderwijs hebben gekregen. Dat is een heel positief signaal. En ja, dan kan je zeggen: het is niet genoeg. Maar kijk ook naar de hele samenleving, naar de hervormingen in de zorg en sociale zekerheid. Dan denk ik dat we in het onderwijs heel tevreden kunnen zijn.”

HOP, Bas Belleman

 

Auteur: Redactie

Foto: Kees Rutten/Trajectum

Tags: minister,Rianne Letschert,1,5 miljard,werkdruk,buitenlandse studenten

Reacties

Henk Reinsma

Opnieuw reduceert Letschert het vraagstuk van internationalisering in het hoger onderwijs tot een kwestie van "praktische knelpunten": de druk op collegezalen en de krapte op de woningmarkt in universiteitssteden. Maar wie het debat daartoe beperkt, mist de kern. Internationalisering gaat niet alleen over aantallen studenten en beschikbare kamers. Het gaat óók—en misschien wel vooral—over taal, cultuur en de publieke rol van de universiteit.

Opvallend genoeg blijft juist die dimensie in Letscherts verhaal (en dat van D'66) altijd buiten beeld. Dat is des te opmerkelijker omdat het debat over internationalisering in het hoger onderwijs mede werd aangezwengeld door zorgen over het verdwijnen van het Nederlands als onderwijs-, onderzoeks- en cultuurtaal aan Nederlandse universiteiten.

Dat is geen detail. Dat is een principiële kwestie.

Het Nederlands als academische taal vervult een cruciale functie: het verbindt universiteit en samenleving, waarborgt toegankelijkheid, ondersteunt het leerproces en draagt een cultuur. Wie die taal marginaliseert, raakt aan de kern van wat een universiteit in en voor een samenleving is.

Kennisstromen
Universiteiten staan niet op zichzelf. Hun kennis circuleert—of zou dat moeten doen—door de samenleving: in de politiek, de journalistiek, het onderwijs, de culturele sector, het bestuur. In al die domeinen is Nederlands de voertaal.

Wie wil dat academische inzichten daar landen, moet investeren in academisch Nederlands. Dat vraagt oefening, verdieping, precisie. Niet een paar ondersteunende schrijfvaardigheidscursussen in het Nederlands naast Engelstalig onderwijs, maar structurele inbedding in het curriculum.

De signalen uit de praktijk zijn helder: universitair docenten constateren dat de Nederlandse taalvaardigheid van hun studenten, bijvoorbeeld in e-mails en schriftelijke tentamens, duidelijk achteruitgaat. Het toenemende gebruik van AI zal deze ontwikkeling naar verwachting alleen versterken.

Toegankelijkheid
Er staat meer op het spel. Taal is ook een toegangspoort.

Voor studenten uit sociaal-economisch minder bevoorrechte milieus vormt Engels als onderwijstaal aantoonbaar een extra drempel. Dat is geen veronderstelling, maar een constatering die ook door de Onderwijsinspectie wordt onderschreven.
Wie serieus werk wil maken van gelijke kansen, kan die drempel niet negeren. Nederlandstalig onderwijs is geen nostalgische voorkeur, maar een voorwaarde voor rechtvaardige toegang. Het biedt studenten zonder vanzelfsprekende beheersing van academisch Engels de mogelijkheid om volwaardig deel te nemen aan het universitair onderwijs.

Vakinhoud
Ook de inhoud van het onderwijs verandert onder invloed van internationalisering.

Opleidingen worden (her)ingericht met het oog op internationale aantrekkingskracht. Dat heeft gevolgen.

Landgebonden thema’s verdwijnen naar de achtergrond. Nederlandstalige bronnen maken plaats voor alleen nog Engelstalige literatuur. Wat resteert, is een curriculum dat minder verankerd is in de eigen samenleving.

De gevolgen daarvan reiken verder dan de collegezaal. Minder betrokkenheid bij Nederlandse taal en cultuur betekent minder studenten die zich daarin verdiepen, minder toekomstige docenten, minder overdracht.

Dat gebeurt op een moment dat de neerwaartse trend zichtbaar is: afnemende belangstelling voor de studie Nederlands, groeiende tekorten aan taaldocenten en dalende taalvaardigheid onder jongeren (zie PISA-resultaten en aandeel van VWO-leerlingen dat het eindexamen Nederlands niet haalt). Tegelijkertijd vragen leerlingen zich hardop af waarom zij zich nog in het Nederlands zouden verdiepen, als het vervolgonderwijs toch in het Engels plaatsvindt.

Die vraag is ongemakkelijk. Maar ze is niet onbegrijpelijk.

In taal huist een cultuur
Taal is niet slechts een instrument; zij is een drager van betekenis.

Wanneer een taal terrein verliest, verliest ook de cultuur die erin besloten ligt aan zeggingskracht. Niet alles laat zich vertalen zonder verlies. Sommige woorden, concepten en ervaringen bestaan eenvoudigweg niet in een andere taal. Daar ontstaat een semantisch gat—en daarmee epistemisch verlies.

Wie het Nederlands uit de academie terugdringt, accepteert impliciet dat delen van de werkelijkheid minder precies, minder rijk en uiteindelijk minder zichtbaar worden.

Moedertaal en diep leren
Daar komt een onderwijskundig argument bij dat moeilijk te negeren is.
Studenten leren dieper, denken scherper en reflecteren kritischer in hun moedertaal. Dat is een breed gedragen inzicht binnen de taal- en onderwijswetenschappen. De KNAW wees hier niet voor niets expliciet op in haar rapport “Nederlands tenzij…”.
Wie inzet op kwaliteit van onderwijs, kan de rol van de moedertaal niet bagatelliseren.

Taal? Vanzelfsprekend!
Dit pleidooi is geen afwijzing van Engels. Engels is onmisbaar als "lingua franca" van de wetenschap en heeft een vanzelfsprekende plaats, zeker in onderzoek en gespecialiseerde masteropleidingen.

Maar meertaligheid vraagt om balans. En juist die balans ontbreekt.

In veel Europese landen is het gebruik van de nationale taal in het hoger onderwijs geen punt van discussie, maar een uitgangspunt. Denemarken en België laten zien dat internationale oriëntatie uitstekend te combineren is met een stevige positie van de landstaal. Ook dichter bij huis, in de Euregio, bestaan overtuigende voorbeelden.
Waarom zou dat in Nederland niet kunnen?

Publiek belang
Hier raakt de discussie aan de politieke verantwoordelijkheid.

Als minister vertegenwoordigt Letschert niet langer de belangen van één universiteit, maar het publieke belang van het hoger onderwijs als geheel. Dat vraagt om een bredere blik dan die van bestuurlijke knelpunten alleen.

Juist vanuit een sociaal-liberaal perspectief zou zij oog moeten hebben voor toegankelijkheid, culturele verankering en de maatschappelijke functie van het Nederlands als onderwijstaal aan de universiteiten.

De vraag dringt zich dan ook op: waarom blijft die dimensie onderbelicht? Waarom is het Nederlands als academische onderwijstaal niet vanzelf-sprekend?

Want dat is waar het uiteindelijk om gaat: niet of het Nederlands een plaats mag hebben aan de universiteit, maar waarom die plaats überhaupt ter discussie staat.

Voeg reactie toe

Klik hier voor onze privacyregels

Vanaf januari 2022 plaatst Observant alleen nog reacties van mensen wier naam bekend is bij de redactie.