Voor me staat mijn laptop met een verdacht groot aantal tabbladen op het scherm, van sommige weet ik niet eens meer waarom ze relevant zijn. Met de deadline voor de conceptversie van mijn scriptie in zicht, wil ik graag nog wat meters maken, wat vooral neerkomt op het lezen van bronnen met vierkante ogen en dezelfde alinea voor de derde keer herschrijven.
Een scriptie schrijven is voor mij iets waar ik echt voor moet gaan zitten. Alleen blijkt het lastig om tijd te vinden tussen het volgen van keuzevakken en een project van professionele vaardigheden in. Het ligt niet eens aan het schrijven zelf, dat vind ik juist hartstikke leuk. Hetzelfde geldt voor het onderwerp: super interessant. Ik onderzoek namelijk de effectiviteit van de Wet open overheid (de Woo biedt burgers de mogelijkheid overheidsinformatie en documenten op te vragen ter bevordering van een transparante en open overheid), aan de hand van verschillende uitvoeringsproblemen. Maar wat begon als een helder plan, veranderde, naarmate ik nieuwe bronnen opende, al snel in een intellectuele speeltuin. Een artikel trekt me de juridische hoek in, een beleidsstuk opent een nieuw zijpad en een paper blijkt net overtuigend genoeg om ook “even mee te nemen”.
Net als een detective probeer ik onderlinge verbanden te zoeken. Elke bron is immers een aanwijzing. Maar hoe langer ik onderzoek doe, hoe meer het lijkt op het overvolle bord met foto’s en pijlen van een onopgeloste moordzaak. Het rode garen waarmee je normaal alles aan elkaar verbindt, is allang op.
Misschien is dat ook precies wat het schrijven van een scriptie af en toe zo frustrerend maakt. Hoe meer je leest, hoe minder vanzelfsprekend alles wordt. Experts blijken het onderling oneens, conclusies komen standaard met voorbehouden en elke stelling heeft minstens één tegenwerping.
Ik had voor mezelf tussentijdse doelen opgesteld (zoals duizend woorden per dag schrijven) en een planning gemaakt. Maar het loopt niet zoals ik wil: ik moet doorgaan terwijl alles nog schuurt, wringt en beter kan, wetende dat er nog heel wat pagina’s geschreven moeten worden. Mijn begeleider zegt tijdens onze bespreking: “In de laatste maand wordt er vaak nog veel aan geschaafd." Ik knik half gerustgesteld, terwijl in mijn achterhoofd alles wat we net hadden besproken zich al begint op te stapelen tot een onoverzichtelijke to-do-lijst.
Alle aanwijzingen liggen er, nu de conclusie nog: tijd om de scriptiezaak op te lossen.
Britt van Cruchten, derdejaars Rechtsgeleerdheid