Samen met collega Taru Spronken stond Mols – decaan tussen 1992 en 2004 en later rector – aan de wieg van wat de Advocatenpraktijk Universiteit Maastricht is gaan heten. Een praktijk waar studenten intakegesprekken mochten voeren met echte cliënten, procedures opstellen, onderhandelen met partijen en soms zelfs pleiten voor de rechtbank.
Eenzijdige aandacht
Volgens Mols – eind jaren tachtig in een interview in Observant – paste het praktijkgebonden onderwijs uitstekend bij het probleemgestuurde Maastrichtse onderwijsmodel waarbij studenten zijn gewend casussen te behandelen. Ze krijgen een grote verantwoordelijkheid en die vergroot het leerresultaat, luidt zijn antwoord op de vraag waarom de faculteit überhaupt in zo’n initiatief moet investeren. Volgens Spronken is de praktijkervaring broodnodig. Bij de rechtenopleiding is er “te eenzijdige aandacht voor juridisch-inhoudelijke zaken. Studenten moeten leren dat een strikt juridische blik het probleem niet altijd oplost.”
Derde -of vierdejaarsstudenten mogen zich aanmelden voor een van de 46 (jaarlijks beschikbare) plekken. Zij worden gedurende acht weken begeleid door professionele advocaten. Het animo onder studenten is groot, soms zo groot dat er geselecteerd moet worden. Cliënten betalen een regulier advocatentarief waarmee een deel van de salaris-, inrichtings- en huisvestingskosten gedekt wordt.
Echtscheiding
Buiten de universiteit klinkt er ook kritiek: is de privacy van cliënten wel gewaarborgd vanwege de vele studenten die er rondlopen? Daarover zegt Spronken in 1988: “Op een gemiddeld advocatenkantoor loopt ook heel wat administratief personeel rond. Het feit dat we hier toevallig met studenten werken betekent absoluut niet dat we de belangen van cliënten achterstellen”. En: “Waarom wordt er zo wantrouwend naar studenten gekeken? Ga maar eens in het café tegenover de rechtbank zitten, waar veel advocaten komen, en luister naar wat daar allemaal wordt verteld.”
Privacy wordt in 1997 een belangrijk onderwerp als een docent van de Universiteit Maastricht (niet werkzaam aan de rechtenfaculteit) zich beklaagt. Hij is ‘tegenpartij’ in een echtscheidingszaak, maar wil “niet als leermiddel gebruikt worden”, voelt zich in zijn privacy aangetast omdat studenten het dossier kunnen inzien en vindt het “oncollegiaal” dat hij in de rechtszaal “bestreden wordt door mededocenten”. Hoewel de Advocatenpraktijk (APUM) eerst niet wil toegeven, besluit men uiteindelijk toch om af te zien van de absolute stelregel ‘dat ze geheel zelfstandig bepalen welke zaak ze aannemen’. Is de tegenpartij een UM-medewerker dan wordt er voortaan vriendelijk bedankt.
Te duur
In 2004 krijgt de juridische faculteit met zware bezuinigingen te maken. De APUM is te duur, vindt het bestuur. In plaats daarvan komt er een commerciële togamaster voor afgestudeerde juristen die een loopbaan ambiëren in de advocatuur of rechtspraak. Vijf maanden les, voornamelijk via APUM, voor 6000 euro. Maar ook die master redt het niet: te weinig aanmeldingen, te veel concurrentie van soortgelijke en goedkopere opleidingen in het land.
De onderwijstaak van de APUM-medewerkers wordt minder en minder, vertellen ze in Observant in 2013. Daarmee is er ook “minder financiële vergoeding vanuit de faculteit. Al het geld moet uit de markt komen.” Het is niet te doen. Een jaar later valt het doek definitief.