Als vader van drie jonge kinderen weet Van Best het als geen ander: baby’s stoppen alles in hun mond. Laat ze buiten in het groen spelen en ze krijgen via hun handen en speelgoed flink wat grond binnen. “Volgens een studie tot 60 milligram per dag, al zou het me niet verbazen als het nog meer is”, lacht de onderzoeker. “Als ouder heb je soms de neiging om in te grijpen, maar ik laat het meestal gewoon gebeuren. Evolutionair zal er toch een goede reden zijn waarom jonge kinderen die neiging hebben.”
Het devies voor jonge kinderen luidt immers ‘Hoe viezer, hoe beter’, zegt Van Best, universitair docent aan de faculteit Health, Medicine and Life sciences (FHML). De bacteriën waarmee kinderen vroeg in aanraking komen, bepalen in belangrijke mate de samenstelling van hun darmflora. Deze kan op latere leeftijd invloed hebben op de gezondheid, bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van allergieën. “In principe geldt dat een diversere darmflora beter is.”
Meer allergieën
Van Best bestudeert al jaren welke factoren een invloed hebben op die diversiteit. “De manier van bevallen – natuurlijk of een keizersnede – speelt een rol, en of de baby borst- of flesvoeding krijgt. Maar ook de omgeving is belangrijk: lopen er broers en zussen of huisdieren rond die ‘viezigheid’ het huis binnenhalen, gaat het kind naar de dagopvang? En dus ook: komt het kind in aanraking met microben uit de bodem door in de natuur te spelen?”
Niet verrassend dus dat onderzoekers vermoeden dat de moderne levensstijl, waarbij kinderen vooral binnen zitten, samenhangt met de toename van onder meer voedsel- en huisstofmijtallergieën, eczeem, hooikoorts en astma. Toch is de conclusie ‘buitenspelen voorkomt allergieën’ nog wat te voorbarig, zegt Van Best. “Vorig jaar was er veel media-aandacht voor een bericht van het Longfonds over een Finse studie, waaruit zou blijken dat kinderen die meer in de natuur spelen minder vaak astma krijgen. Maar dat was te kort door de bocht, je kunt dat niet zo stellig zeggen op basis van die onderzoeksresultaten. Er is veel dat we nog niet goed weten: welke beestjes kinderen op welke plek en leeftijd oppikken, en wat daarvan het precieze effect is. Dat proberen we nu écht goed te onderzoeken.”
Schepje uit de luier
Het antwoord schuilt in babypoep. Sinds 2018 volgt Van Best met Maastrichtse collega’s binnen de LucKi-studie Zuid-Limburgse baby’s tijdens hun eerste levensjaar, de teller staat inmiddels op zo’n 150. De ouders sturen op verschillende momenten een schepje ontlasting uit de luier op naar Randwyck (“We hebben hier inmiddels een aantal grote vriezers vol met poep”). Ook vullen ze vragenlijsten in over zaken als wat hun baby eet, hoe vaak die ziek is en buiten komt. “In het lab onderzoeken we vervolgens welke beestjes aanwezig zijn in de darmen en welke functie ze daar hebben.”
Om het precieze effect van het wroeten in de aarde te achterhalen, vergelijkt Van Best de bacteriën uit de babypoep met de microben die krioelen in bodemmonsters genomen op speelplaatsen. “Zo komen we erachter welke beestjes uit de omgeving daadwerkelijk tijdens het spelen worden opgenomen door kinderen, en op welke leeftijd. Inmiddels hebben we daar al een goed beeld van.” De volgende stap in de studie, waarvoor Van Best vorig jaar een Veni-beurs ontving van wetenschapsfinancier NWO, is om te kijken hoe immuuncellen in het lab reageren op deze bacteriën, en dus welke rol deze spelen bij het voorkomen van allergieën.
Groenere speelplaats
Die kennis is nuttig bij het ontwikkelen van maatregelen, zegt Van Best. “Denk aan een programma voor kinderdagverblijven waarbij de kinderen wekelijks in het bos gaan spelen. Of speelplaatsen groener inrichten, de natuur dichterbij halen. Dan helpt het als je weet op welke leeftijd dit het meeste effect heeft, of welk type grond of vegetatie je op die groene speelplaats wil hebben.”
Hij hoopt dat Zuid-Limburg in de toekomst een living lab wordt voor het testen van zulke ingrepen. “Dit is een ideale plek hiervoor. In de Mijnstreek komen bijvoorbeeld meer astmagevallen voor. Die worden veroorzaakt door de slechtere luchtkwaliteit van vroeger – astma kan genetisch doorgegeven worden – maar ook de omgeving: wijken met een lage sociaaleconomisch status, met veel hoogbouw zonder tuinen om in te spelen. Het is interessant om de verschillen met andere regio’s te meten. Ook de nabijheid van Duitsland en België is handig. In Nederland brengen we kinderen relatief jong naar de dagopvang, vaak al na een aantal maanden, terwijl dat in omringende landen meestal pas na een jaar is. Dat kan ook verschil maken, waar je rekening mee moet houden bij het ontwikkelen van maatregelen.”