Een dikke tien jaar geleden hield ze een tijd haar overuren bij, ze was toen mastercoördinator. Maar Jascha de Nooijer, inmiddels hoogleraar Interprofessional Teaching and Learning, werd er zo chagrijnig van dat ze ermee is opgehouden. “Zonder overuren kun je je werk niet doen”, concludeert ze nu. “Ik ben heel blij met de vrijheid die je als academicus hebt, en met ons riante salaris, maar als je niet vaker ’s avonds en in het weekend werkt, raak je achterop. Ik begeleid promovendi, doe onderzoek en moet subsidies aanvragen, dat laatste komt altijd bovenop je gewone werk.” Een werkweek van gemiddeld vijftig uur is dan ook standaard.
Het zal niemand verwonderen dat zij haar vakantiedagen niet op krijgt. Ze bevindt zich in goed gezelschap. De Universiteit Maastricht kampt al jaren met een ‘verlofstuwmeer’ dat eind december 2025 was opgelopen tot 634.368 uren, wat neerkomt op gemiddeld 112 uur per UM-medewerker: 128 voor het wetenschappelijk personeel (wp), 91 voor het ondersteunend personeel (zie kader).
De wetenschappers
Van de tien wp’ers die Observant interviewde zijn er zeven die doorgaans op 31 december hun verlofuren niet weggewerkt hebben. De drie die dat wel lukt, doen dit meer dan eens met wat kunst- vliegwerk. Ze zetten uren in voor een nieuwe fiets, een fitnessabonnement, sparen voor een sabbatical, laten het deels (maximaal 38 uur per jaar) uitbetalen, of buffelen nog even door terwijl hun vakantie al is begonnen. Uitzondering is promovendus Juul Hennissen, verbonden aan de School of Health Professions Education. “Er wordt vanuit de vakgroep op gehamerd om vakantie te nemen. Ik ga vaak in de zomer lang weg, dan is het rustig.”
Te veel taken, te weinig uren
Een van de belangrijkste oorzaken voor het stuwmeer? Structureel te veel taken voor het beschikbare aantal uren, concluderen de wetenschappers eensgezind. Zo ook Bram Fleuren, universitair docent bij de vakgroep Work and Organizational Psychology. Hij heeft “lol” in zijn werk, legt hij uit, ervaart het onderwijs niet als “last”, en heeft het over zijn “eigen winkel” binnen de universiteit. En die winkel sluit zelden: “Het ligt in de aard van het werk van een onderzoeker: je bent nooit klaar, kunt eindeloos doorgaan. De beursaanvragen kosten de meeste tijd, je wordt er niet toe gedwongen, maar je wilt je ideeën ten uitvoer brengen. Dat kan niet zonder geld.”
Hij heeft inmiddels “een paar honderd uur opgespaard”, het exacte aantal heeft hij niet paraat, en noemt zich opgewekt een van de “ergsten” binnen zijn vakgroep. Al heeft hij net drie weken vakantie achter de rug. “Dat was goed, nu zit ik er weer frisser in.” Hij verwacht dat zijn verlofuren straks sneller slinken als de geplande “gezinsuitbreiding” er komt. Los daarvan: “Ik begeleid promovendi en moet het goeie voorbeeld geven, je wilt niet dat we hen aan het einde van hun contract [dat geldt voor alle medewerkers die vertrekken, zij krijgen niet opgenomen vakantie-uren vergoed] grote sommen moeten uitkeren, dat drukt op het budget van de vakgroep.” Dat laatste was hoogstwaarschijnlijk de reden dat een promovenda van de School of Business and Economics die anoniem wil blijven, bestookt werd met mailtjes van HR. Het einde van haar contract kwam eraan, ze moest haar uren opnemen, heette het. “Ik vertelde mijn supervisors dat ik gek werd van die berichtjes. Zij waren heel aardig en zeiden: trek het je niet aan. Mijn verantwoordelijkheid is op de eerste plaats toch om mijn promotieonderzoek op tijd af te krijgen? Dat is niet gelukt. Ik had liever minder vakantiedagen gehad en mijn proefschrift wel op tijd af.”
Geen vervanger
Wat het opnemen van de - in de optiek van bijna iedereen zeer veel - vrije dagen ook ontmoedigt: er is bijna niemand die je tijdelijk kan vervangen. En dat heeft niets te maken met een gebrek aan collegialiteit. Want die collega’s komen ook om in het werk, en veel taken - subsidieaanvragen, onderzoek - kan een ander niet overnemen. Gevolg: alleen vakanties plannen met Kerst en in de zomer. En zelfs dat laatste is zeker voor medewerkers met veel onderwijstaken geen appeltje, eitje. “Tot midden juli is het scripties nakijken, daarna kan ik weg, maar half augustus begint het weer.” Aan het woord is Thomas Frissen, universitair docent bij de faculteit Arts and Social Sciences en programmadirecteur van de bachelor Digital Society. En tussendoor in het jaar een weekje vrij plannen? “Je schiet jezelf in de voet als je midden in het seizoen weggaat. Niemand kan het overnemen.” Rick Schumans, docent 3 bij rechten, kan erover meepraten. Hij haalde het ooit in zijn hoofd om in september een week weg te gaan. Hij moest vooraf op zoek naar een vervangende tutor, een alternatief voor het hoorcollege en een aanspreekpunt voor de studenten. Dat geregel gaf meer stress dan de rust tijdens de vakantie. “Ik ga dit echt nooit meer doen.” Universitair docent Carijn Beumer bij de faculteit Health Medicine and Life Sciences en coördinator van meerdere blokken kan alleen maar instemmend knikken. ”De structuur van het academisch jaar zit zo in elkaar dat er heel weinig tijd zit tussen de blokken. Daar loopt alles op spaak.” Zij neemt in juli vier weken vrij, tegelijk met (een deel van) de schoolvakantie van haar zoontje. “Je werkt je vooraf te pletter om alles rond te krijgen en als je terugkomt wachten er honderdduizend mails op je. Dan begint de inhaalrace. Verschrikkelijk. Ik zet nu uit voorzorg in mijn out of office: ‘Ik ga je mail niet lezen, mail me svp als ik terug ben.’” Alleen voor haar scriptiestudenten heeft ze een noodknop in die vier weken. “Zij moeten door kunnen, dus ik sta met een half oor en oog open voor hen.”
Eigen keuze
Over vervanging gesproken: Esther Heuts, opleidingsdirecteur bij geneeskunde en oncologisch chirurg in het MUMC+, vertrekt alleen “als de collega’s in de kliniek er geen last van hebben en mijn onderwijswerk zo goed mogelijk is afgerond”. Soms trekt ze een geplande vakantie weer in als ze ziet dat er te weinig bezetting op de poli is en dus niet alle patiënten met een verdenking van borstkanker binnen een bepaalde termijn een uitslag kunnen krijgen. Hetzelfde geldt voor onderwijszaken die niet kunnen blijven liggen. Dat ze daardoor haar verlofuren niet opmaakt, is haar eigen keuze, zegt ze. “Ik vind mijn werk fijn, zowel de patiëntenzorg als het onderwijs.”
Oplossing?
Is er een oplossing? Hoogleraar De Nooijer is niet optimistisch. “Dit los je niet zomaar op, we hebben in het verleden al zoveel geprobeerd. Ik denk dat ik dit gewoon moet slikken.” Ook universitair docent Beumer is niet erg hoopvol. “Ik moet uiteraard zelf proberen mijn uren op te nemen, ik weet alleen niet hoe. Daarnaast moeten de normuren eerlijker, we krijgen al jaren te weinig tijd voor heel wat taken. Dat moet de UM regelen. Verder hebben we een ander [lees korter] academisch jaar nodig.”
Universitair docent Fleuren ziet mogelijkheden: “Werf promovendi met het geld uit de ongebruikte vakantiepot. Dat zou de werkdruk verlagen. Ik hoef dan geen subsidie meer aan te vragen, vaak vraag je geld voor een jonge onderzoeker die jouw idee uitwerkt.” UD Frissen is kritisch: “Er zijn te weinig collega’s die hiervan profiteren terwijl iedereen zijn verlofuren inlegt.”
Via posters in de kelder van de Henri Spaaklaan riep FSE vorig jaar medewerkers op om vakantiedagen op te nemen
Foto: Joey Roberts
De ondersteunende staf
Het lijkt voor de ondersteunende staf iets makkelijker om vakantiedagen op te nemen omdat zij vaker een vervanger in de buurt hebben. Neem Erik Bleize, schedule planner (roostermaker) en verantwoordelijk voor Canvas en Eleum bij FASoS. Hij doet het werk samen met een collega. “Ik kan dus weg. De werkdruk is niet extreem hoog, al zijn er pieken. Zes keer per jaar moeten we alles op tijd online zetten, dat is even aanpakken.” Hij maakt zijn verlof meestal op, vakantie, klussen thuis, of door de koop van een fiets. De overuren die hij maakte tijdens een heel druk jaar staan nog op zijn overzicht, “ik ga over vier jaar met pensioen, dan zijn die wel op”.
De meeste van zijn collega’s hebben aan het einde van het jaar hun dagen opgenomen, weet Bleize. Zo ook Birgitte Hendrickx, adjunct-directeur van het studentenservicecentrum. “Vakantie is veel te belangrijk, het is goed om even af te schakelen en afstand te nemen. Ik stimuleer mensen om hun uren op te nemen, dan moet je dus zelf het goeie voorbeeld geven. Ik durf in de zomer drie tot vier weken uit te loggen. Ik neem mensen in dienst die besluiten kunnen nemen en de verantwoordelijkheid weten te dragen. Zij lossen het wel op als er iets aan de hand is. Je moet jezelf wat minder belangrijk maken, dat is heel gezond, voor je jezelf en voor iedereen. Ik vind dat er geen reden mag zijn waarom iemand niet een paar weken in de zomer weg kan. Als de werkdruk daarvoor te hoog is, dan doen wij als werkgever iets niet goed.” Mede daarom wil ze af van het fenomeen dat slechts één persoon in een servicecentrum bepaalde expertise bezit. “Je ziet dat vaak in de ICT. Dat maakt je als organisatie kwetsbaar, het leidt tot hoge werkdruk. Is er iets mis dan moet je die persoon ’s avonds of in het weekend bellen. Dat moeten we niet willen.”
De twee geïnterviewde obp’ers die hun dagen niet opmaken hebben daar meerdere redenen voor. Veel werk, niemand die het kan overnemen. Maar ook: uren achter de hand houden zodat je nooit knel komt te zitten, bijvoorbeeld als mantelzorger. Werner Teeling, informatiebeheerder bij bureau onderwijs van FPN: “Ik werkte hiervoor bij een arbodienst en juist daar kreeg ik geen medewerking toen ik zorgverlof nodig had. De machteloosheid en pijn van toen zit diep. Zoiets wil ik niet nog een keer meemaken, en daarom spaar ik al meerdere jaren verlof op."
Verschil wp en obp
Dan nog een laatste punt: wp’ers hebben veel meer vrijheid en hoeven geen rekenschap af te leggen als ze een halve dag of langer afwezig zijn, terwijl veel obp’ers al hun uren moeten verantwoorden. Dat steekt soms, zeker als kantoren leeg blijven en je “een kanon kunt afschieten in het gebouw. Je moet dan maar aannemen dat ze thuis aan het werk zijn”, klinkt het in de wandelgangen. Hoogleraar klinische anatomie en hoofd van de vakgroep anatomie en embryologie, Leo Köhler, herkent het sentiment. “Soms heeft de ondersteunende staf het gevoel dat wp’ers doen wat ze willen, daar zit een beetje jaloezie bij, vermoed ik. Begrijp me niet verkeerd: ik ben heel tevreden over onze mensen. Maar ik denk dat ze niet echt zicht hebben op wat wetenschappers doen.”
Dat wp’ers misbruik zouden maken van hun vrijheid? De directeur van faculteit Science and Engineering, Bakir Bulić, reageert fel. “Daar geloof ik helemaal niks van. Natuurlijk zit er wel eens een enkeling tussen die de kantjes ervan af loopt, maar als ik zie hoe hoog de productie is, of het nu gaat om onderzoek of onderwijs, dan weet je dat ze hard werken. Een deel leggen ze zichzelf op.” Hoogleraar De Nooijer beaamt dat: “We hebben inderdaad veel vrijheid, maar ik denk eerder dat we èxtra hard werken om dat vertrouwen niet te beschamen.”