Wilhelminasingel 71
“Van tijd tot tijd lekte iets uit over de vreselijke taferelen en martelingen die zich ’s avonds en ’s nachts in de folterkamers 7 en 11 van het Sipo-gebouw aan de Wilhelminasingel afspeelden.” Uit: Het verborgen front van historicus Fred Cammaert.
“In de kelder waren enkele piepkleine ruimtes, opbergkasten omgebouwd tot cellen. In die ruimtes kon men vaak nauwelijks staan of zitten. In één cel stond ongeveer 1 meter (ijskoud) grondwater. Een lang verblijf in deze cellen was niet aan te raden. Het schijnt dat de massieve houten deuren van de geïmproviseerde cellen in de kelder in de loop der jaren bekrast stonden met namen of verwensingen van in de cellen opgesloten ‘verdachten’.”
Uit: digitaal forum Mestreechonline. De auteur zegt zich te baseren op onder meer een persoonlijk gesprek met schrijver en “Tweede Wereldoorlog-historie-geïnteresseerde” Bert Spoelstra die er na de oorlog een rondleiding kreeg. In die tijd werd het gebouw gebruikt door de Koninklijke Marechaussee.
“Wil je de kelder zien?” vraagt rechtenstudent Anouk Loijens die sinds oktober een kamer heeft aan de Wilhelminasingel 71 in Wyck. “Voordat ik hier introk, googelde ik de postcode. Die had ik ergens voor nodig. Toen kwam ik wat informatie tegen over de Tweede Wereldoorlog en dat er nazi’s in hebben gezeten. Nee, fijn is het niet, maar het heeft me niet tegengehouden. Het is zo lang geleden.”
Het gebouw werd in de oorlogsjaren gevorderd door de Duitsers. Zaten de Sicherheitsdienst en de Sicherheitspolizei gedurende 1941 nog in het ‘Witte Huis’ op de hoek van de Prins Bisschopsingel en de Sint Lambertuslaan, later verhuisden de diensten vanwege ruimtegebrek naar de Wilhelminasingel. In zijn proefschrift Het verborgen front (Rijksuniversiteit Groningen, 1994), over het verzet in de provincie Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog, wijdt historicus Fred Cammaert een hoofdstuk aan ‘de bestrijding van de illegaliteit’. Het meeste gevaar, schrijft hij, kwam van drie in Nederland gevestigde Duitse veiligheidsorganen: de inlichtingendienst van de Wehrmacht, de Sicherheitsdienst (SD) en de Sicherheitspolizei (Sipo, een samenvoeging van de geheime staatspolitie Gestapo en de Kriminalpolizei). De laatste was belast met het verzamelen van inlichtingen. Samen heetten ze het Reichssicherheitshauptamt (R.S.H.A.). Maastricht was een van de zes steden in Nederland waar zo’n afdeling gevestigd was. De Duitse SD’ers hadden ieder hun eigen taak. De een hield zich bezig met spionage, een ander met kerkelijke aangelegenheden, weer een ander met zwarthandel of de pers. Verdachten werden opgepakt en ondervraagd.
Marmeren schouw
De houten trap kraakt wanneer Anouk Loijens naar beneden loopt. De kelder is verdeeld in een aantal ruimtes. Een daarvan – voor de opslag van overbodige spullen – geeft toegang tot de achtertuin. Opvallend zijn het grote aantal gescheiden bergingen met ieder een eigen slot. Niets doet meer terugdenken aan de verschrikkingen die men hier heeft moeten doormaken. Verschrikkingen waar vrij weinig over bekend is, maar waar in het boek van Cammaert, en ook sporadisch online, aan wordt gerefereerd. Zo zou ene Joseph Smeets, een Brunssumse mijnwerker die tijdens de mijnstaking van 1943 werd gearresteerd, zijn overgebracht naar het “beruchte hoofdkwartier van de SD in Maastricht”, aldus de familie van Smeets op de site www.ww2insouthlimburg.nl. “Joseph werd in Maastricht verhoord door de beruchte SD’er Ströbel, en werd flink mishandeld voordat hij verder ging op transport naar kamp Vught.” Uiteindelijk kwam hij in concentratiekamp Allach terecht tot hij in juni 1945 terugkeerde naar Brunssum.
“Een naar idee dat hier mensen zijn gefolterd.” Aan het woord is Valérie Drost, afgestudeerd in gezondheidswetenschappen en werkzaam voor het Edlab van de Universiteit Maastricht. Ze nam de kamer aan de voorzijde van de Wilhelminasingel 71 over van haar schoonzus. “Ze vertelde me wel iets over de historie, maar toen ik op facebook een link aanklikte naar een proefschrift waarin ook uitvoerig werd geschreven over mijn studentenhuis, schrok ik toch wel een beetje. Ik kan me goed voorstellen dat de chef van de SD, Max Ströbel, mijn kamer heeft gebruikt als kantoor. Die is mooi, groot, heeft een balkon en een marmeren schouw. Toch heb ik er gelukkig nooit een nacht slecht van geslapen.”
Klokhuis
Een tijd terug – “tijdens het schrijven van mijn afstudeerscriptie” – opende Drost het gat in de schouw waar vroeger het rookkanaal zat. "Ik vond er allerlei spullen: een envelopje met de naam en het adres van een Brit of Canadees, een pakje sigaretten – ik vermoed van vlak na de oorlog – en zelfs een verbandje met bloed en een klokhuis! Ik heb het in de kelder neergelegd. Misschien moet ik mijn huisgenoten eens porren om ook hun rookkanalen te openen. Wie weet wat voor schatten zij nog vinden.”
Wilhelminasingel 71 telt vijftien kamers, verdeeld over de begane grond en drie verdiepingen. De verhuurder is woningcorporatie Woonpunt. Er is heel wat vertimmerd, maar toch is niet alle historie verloren gegaan. Achter de zware dubbele voordeur leiden stenen traptreden naar de grote hal waar nog muurversieringen zichtbaar zijn. Een brede houten trap gaat naar boven.
Volgens Frans Roebroeks van het Regionaal Historisch Centrum Limburg boezemde tijdens de bezetting alleen al het noemen van de naam ‘Wilhelminasingel’ angst in. Roebroeks haalt een doos van de recherche tevoorschijn met daarin onder meer twee sleutels van het SD-gebouw die vlak na de bevrijding in beslag zijn genomen door een agent. Veel is er niet bewaard gebleven. De snelle opmars van de geallieerden door Frankrijk en België in augustus 1944 baarde de Maastrichtse Sipo-leden grote zorgen. Cammaert: “Inderhaast werd begonnen met het verbranden van het archief, dat naderhand immers als bewijsmateriaal kon dienen. Nitsch deed enkele dagen niets anders dan papier verbranden. Op 7 september 1944 verhuisde de Sipo van Maastricht naar Hoensbroek.” Om later in Venlo en Sneek en uiteindelijk in Haarlem te belanden.
Levenslang
Roebroeks haalt een foto van Max Ströbel, de chef van de Maastrichtse SD-afdeling, uit de doos. Hij is nooit opgepakt. In de persoonsbeschrijving, opgetikt op 30 mei 1947, wordt hij beschreven als een man van ongeveer 35 jaar, 1.60 meter, slank figuur, roodachtig blond dun haar, hoog voorhoofd, zeer zwakke baardgroei en opvallend achteruitstekend zitvlak. De recherche vermoedde dat hij zich in Duitsland schuilhield onder een valse naam. Tijdens Ströbels ambtsperiode en onder zijn verantwoordelijkheid, schrijft Cammaert, arresteerde de Maastrichtse afdeling ruim 3500 personen.
De grootste sadist van het gezelschap, Richard Nitsch, meldde zich op 22 mei 1945 bij de Canadese politie in IJmuiden. Cammaert: “Zijn naam werd een synoniem voor de Sipo, voor angst en haat.” En: “Zonder een spoor van menselijke gevoelens en met een onbeteugeld sadisme beging hij de ene na de andere misdaad.” In 1948 werd Nitsch tot levenslang veroordeeld. Men veroordeelde hem niet ter dood, omdat het Gerechtshof rekening hield met de invloed van zijn meerdere, Ströbel, en omdat “een zekere bekrompenheid van geest” werd waargenomen.
Wendy Degens
Alexander Battalaan 74
In juli 1942 wordt Louis Salomon, een joodse verzetsstrijder uit de Alexander Battalaan 74 in Maastricht, betrapt als hij een medegevangene in kamp Amersfoort een tomaat geeft. Hij wordt in een hondenhok gezet en uiteindelijk doodgeknuppeld en getrapt door de Duitse kampbeul Hugo Hermann Wolf, ook wel het Kerstmannetje genoemd. Louis Salomon werd 42 jaar, hij liet zijn vrouw Yvonne en twee dochters na.
Salomon was handelaar in textiel en speler in het eerste elftal van voetbalclub MVV. Hij ging tijdens de oorlog in het verzet, had contacten in Antwerpen en Amsterdam, organiseerde filmvoorstellingen in zijn huis toen joden eind 1941 de bioscoop niet meer in mochten. In mei 1942 werd hij verraden. Het waren zijn dochters Roos en Jeanny die van de Duitsers te horen kregen dat hun vader zich moest melden bij de Sicherheitsdienst in het ‘Witte Huis’ aan de Sint Lambertuslaan, hoek Prins Bisschopssingel. Zo niet, dan zou dat ernstige gevolgen hebben voor tien joodse mannen die waren opgepakt als represaillemaatregel. Salomon meldt zich, zit veertien dagen in de Maastrichtse gevangenis en wordt dan naar Vught en vervolgens Amersfoort overgeplaatst.
Het Kerstmannetje was leider van het ‘bos-commando’ dat tot taak had percelen bos te rooien. Hij kreeg deze bijnaam van de gevangenen die hem meer dan eens met een jonge dennenboom over zijn schouder naar het kamp zagen lopen. In 1947 is hij tot levenslang veroordeeld. Louis Salomon ontving in 1981 postuum het Verzetsherdenkingskruis, nu te zien in het oorlogsmuseum in Overloon.
De Maastrichtse emeritus hoogleraar letterkunde, Wiel Kusters, heeft Salomons verhaal opgetekend en zeer recent een gedicht aan hem gewijd (zie deze pagina). Niet in de laatste plaats omdat hij van 1972 tot 1976 in Salomons vroegere huis woonde en daarna verhuisde naar het buurhuis.
Alexander Battalaan 74 doet nu dienst als studentenhuis. Op deze dinsdagmiddag zijn de rolluiken op de begane grond gesloten. Pien Gehrels, eerstejaars gezondheidswetenschappen, doet de voordeur open. Zij is een van de zeven bewoners. “Ik vermoed dat het huis nog net zo is ingedeeld als voorheen. Wij denken dat vroeger de bedienden op de begane grond woonden en de familie daarboven. Ik kwam bij toeval bij de struikelsteenlegging uit. Ik dacht alleen een paar familieleden aan te treffen, maar het was groots, met camera’s en toespraken van onder anderen Salomons dochter en de burgemeester. Ik kijk nu wel op een andere manier naar mijn huis. Normaal lees je in geschiedenisboeken over de oorlog en deportatie van joden. Het staat dan toch ver van je af. Nu is het heel dichtbij, in dezelfde wereld als waarin ik leef.” Haar Italiaanse huisgenoot Micol Belunato, uitwisselingsstudent geneeskunde, komt de keuken binnen. Ze woont pas twee weken in Maastricht, maar het struikelsteentje voor de voordeur is haar wel opgevallen. Uitleg kreeg ze van huisgenoten. Gehrels: “Het steentje valt me iedere keer op als ik de deur in of uit ga. Ik vind het niet zwaar of eng, wel bijzonder. In ons huis hebben veel verschillende mensen gewoond, toevallig ook een heel bijzonder mens.”
Riki Janssen