Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“Besturen is zó weinig interessant! Research is zó veel boeiender!”

“Besturen is zó weinig interessant! Research is zó veel boeiender!”

Photographer:Fotograaf: Loraine Bodewes

Universitaire founding father en oud-rector prof. Coen Hemker vertrekt nu echt

In juli wordt hij 85 jaar. En het is mooi geweest: de laatste promovendus is uitgezwaaid, tijd voor een officieel afscheid van de universiteit, twintig jaar na het gebruikelijke tijdstip. Maar ‘gebruikelijk’, dat is iets voor normale mensen en prof. Coen Hemker is geen normaal mens. Hij heeft nooit van ophouden willen weten. Sterker, hij droomt stiekem van een doorstart.

Een groot monumentaal pand in de Maastrichtse binnenstad, waar met zwierige letters Hemker op de eikenhouten deur staat geschreven. De naamgever doet open, een tikje strammer dan vroeger, een klein tikje hardhorender ook, de rug wat meer gekromd maar verder even alert als altijd. Slimme ogen achter brillenglazen, baard, warrig haar; stel je een professor op leeftijd voor in een cartoon en dit is wat eruit rolt.

Boven, aan de straatkant, is de ‘boekenkamer’. Wanden met boekenkasten. Dat is de makkelijkste plek voor het interview. Er staat een oud houten bureau (“Dickens had er exact zo een”), waarachter de verslaggever noodgedwongen plaats neemt omdat moderne lage fauteuils zonder armleuningen niet erg geschikt zijn om notities in te maken. In een ervan maakt Coen Hemker het zich nu gemakkelijk.

Op een hoek van het bureau ligt een tamelijk onbekend werkje van Karel van het Reve uit 1959: 2 minuten stilte. Hemker, grinnikend vanuit zijn diepe stoel: “Dat geef ik altijd te lezen aan mijn promovendi. Het is een sleutelroman, eigenlijk een detective, over het Amsterdamse Rusland Instituut waar Van het Reve werkte, de directeur wordt vermoord, haha. Maar dat is niet de reden dat ze het moeten lezen, ik geef het vooral vanwege de prachtige beschrijving van een promotieplechtigheid en de aanbevelingen aan de promovendus. Die moet namelijk ‘altijd antwoorden, ook als je de vraag niet begrijpt of niet verstaat, en dan vooral ook antwoorden met gebruikmaking van alle moeilijke woorden die de vragensteller bezigde.’ Succes verzekerd.” Een brede grijns.

Hij heeft alles van Karel van het Reve gelezen, zegt hij. En ook alles van Georges Simenon. Met een weids armgebaar wijst hij op een forse rij ingebonden boeken, het verzamelde werk, “ja, iedereen vraagt het en het is echt zo: allemaal gelezen. Net als Dickens, heb ik ook compleet en ook alles gelezen.”

Flaubert staat er, en Romain Gary, “ook een hobby van me, ken je die? Een Poolse jongen die in Frankrijk belandde en diplomaat werd. Twee keer de Prix Goncourt gewonnen, dat kan helemaal niet maar de eerste keer was onder pseudoniem, en dat werd pas duidelijk na zijn dood. Ik lees hem graag, vooral vanwege de menselijke manier waarop hij zijn personages gestalte geeft.”

Wikipedia omschrijft Gary als “een pessimistisch auteur die schrijft in een verzorgde stijl, met veel bittere humor”. Dat laatste zou ook wel eens de aantrekkingskracht kunnen verklaren. Hemker geldt als een soms cynische grappenmaker die geen blad voor de mond neemt. In 2000 interviewde Observant hem samen met twee andere aanstaande emeriti, want alle drie werden ze dat jaar 65, ook rechtspsycholoog Hans Crombag en fysioloog Rob Reneman. De heren zaten gezellig te schelden op alles wat er niet deugde in de wetenschappelijke wereld. Hemker toen: “Wat heet tegenwoordig nog universiteit? Als je ziet hoe dat uitgebreid is, hoeveel flutvakken in de flutkunde er aan flutfaculteiten bijgekomen zijn…” Vrijetijdskunde bijvoorbeeld, hij noemde het nog als treurig dieptepunt.

 

Houtje-touwtje

Zijn eigen vak, zoveel mag duidelijk zijn, staat mijlenver van dit alles af. Hemker is een nationaal en internationaal gelauwerd biochemicus en vooral pur sang onderzoeker. Zijn terrein: bloedstolling, de mechanismen erachter, trombose en wat je ertegen kunt doen. Eenmaal in 1974 aangesteld als een der pioniers van (toen nog) de Rijksuniversiteit Limburg, merkte hij al gauw dat zijn stiel, het exacte onderzoek, niet populair was bij de collega-pioniers in de ‘kernstaf’, druk doende met de oprichting van de achtste medische faculteit van Nederland, die uit zou groeien tot wat nu de Universiteit Maastricht is. Die oprichting was sowieso een gedurfde operatie, heel veel behoefte aan nòg een medische faculteit was er op dat moment al niet meer en dus moest de bestaansreden in een andere signatuur worden gezocht: vernieuwing. Dat betekende: grote nadruk op de eerstelijnszorg, de huisartsgeneeskunde, en een nieuw onderwijsconcept, het probleemgestuurd onderwijs, pgo. Het resultaat was dat Maastricht in het sceptische Nederland bekend kwam te staan als faculteit waar ‘blotevoetendokters’ werden opgeleid, idealistische typjes die houtje-touwtje geneeskunde in de bush gingen bedrijven. Een onzinnig beeld, de studenten en latere artsen bleken het heel goed te doen, maar in die eerste periode was wetenschappelijk onderzoek toch echt het ondergeschoven kindje, zo wordt Hemker niet moe te benadrukken. “Research, dat kon je hooguit in de luwte doen.”

Wat hij natuurlijk dan wèl deed. “In de kernstaf werd toen gezegd: stel nou dat al die hoogleraren straks allemaal hun hobby’s gaan zitten doen? Ik zei: Dat vind ik niet erg. Als ze de mijne maar doen, haha!” Pretogen en een ietwat vileine grinnik.

 

Onder professoren

Het was een veelzeggende grap, want Hemker is er altijd een meester in geweest om onverstoorbaar zijn eigen pad te bewandelen. Hoogleraar op een universiteit waar de pgo-filosofie sacrosanct was? Ondanks aanvankelijk enthousiasme kreeg hij er snel de pest aan, drukte zich voor de onderwijsgroepen en gaf als het even kon college. Want studenten krijg je pas warm voor de research als je je verháál kunt vertellen. Onenigheid in zijn vakgroep? Als het werk en zijn onderzoek maar dóór konden. En daar zorgde hij wel voor, zelfs in tijden van grote troebelen. Zie bijvoorbeeld het artikel in Observant van 11 mei 1995. Twee dichtbedrukte pagina’s onder de kop: College haalde vechtende hoogleraren biochemie uit elkaar. Niet zomaar hoogleraren: wetenschappelijke kanonnen. De een KNAW-lid, de ander behoorde tot de meest geciteerde medische hoogleraren. De animositeit tussen Hemker en de (ooit door hemzelf aangetrokken) Rob Zwaal was zo uit de hand gelopen dat de zaak op het bordje van het college van bestuur was beland, door toedoen van Zwaal. En dat belandde weer bij Observant via een anoniem briefje. Het bleek om een langslepend conflict te gaan waarbij Zwaal Hemker verweet zich achter zijn rug om op zijn onderzoeksterrein te hebben begeven, waar er in personeelsdossiers werd gesnuffeld, er - tot in de VS - bij vitale contacten in de industrie werd geklikt, er beschuldigingen van omkoping de ronde deden: het was ‘Onder professoren’ van W.F. Hermans op zijn Maastrichts. Zwaal was de aangever, Hemker verdedigde zich uit alle macht. Alles werd erbij gesleept, ook zijn activiteiten voor een spin-off adviesbedrijfje dat hij had opgericht, Synapse. Dat hij vervolgens in dat kader door het college berispt werd omdat hij het bedrijf onvoldoende gescheiden zou hebben van zijn werk in de faculteit griefde hem zeer: aan zelfverrijking deed hij niet, hij had er werktijd voor opgegeven, hij kaapte geen opdrachten voor de neus van de vakgroep weg, integendeel, hij zorgde dat die er juist kwamen. Met de regeltjes (wanneer meld je wat bij wie?) was hij wat achteloos omgesprongen, dat was waar. Hemker toen: “Natuurlijk ben ik naïef geweest. Ik ben een administratieve onbenul, dat geef ik grif toe.” Maar de bottom line is: ondanks alles bleef hij overeind en zorgde hij ervoor dat zijn wetenschappelijke activiteiten, zijn onderzoek, geen schade opliepen.
 

Bijna dood

Het was trouwens niet voor het eerst dat zijn positie in de afdeling onder druk was komen te staan. Hemker werd in 1982 rector magnificus en vertrok toen dus min of meer uit het onderzoek. Die draad pakte hij in ’85 tijdens zijn sabbatical weer op: hij ging naar Parijs, naar het beroemde laboratorium van de toen al overleden François Josso. Hij kwam terug met nieuwe ideeën en in gezelschap van Suzette Beguin, Josso’s chef de laboratoire. Maar de nieuwe ideeën vielen slecht bij de afdeling, en dat er nu ook nog eens een Franse dame als boegbeeld van die nieuwe benadering in de Maastrichtse laboratoria rondliep: dat wekte weerstand. Hemker memoreert het in zijn afscheidsrede: de collega’s vermoedden dat hij haar had meegebracht “voor de gezelligheid of om zijn Frans te oefenen”, meldt hij met licht sarcasme. Dat van die gezelligheid klopt wel, zegt hij, “maar ze was ook gewoon strontgoed in haar vak. Dat geloofden ze hier niet.”

Tot overmaat van ramp werd Hemker ook nog eens ziek. Althans, hij was het al, “maar nu was ik bijna dood”. Colitis ulcerosa, een chronische darmontsteking, een familiale aandoening (broer, nicht, kinderen) die hem zo te pakken kreeg dat hij twintig kilo afviel “en iedereen ook dacht dat ik doodging. Ook op de afdeling, die was al verkaveld, promovendi en buitenlandse stagiaires werkten nu voor iemand anders. Suzette had het in mijn afwezigheid heel moeilijk daar.”

Een operatie moest redding brengen en deed dat ook. “Mijn hele dikke darm is eruit gesleuteld.” En dus kwam hij terug en wist beetje bij beetje zijn positie te heroveren: “De scherpe kantjes gingen eraf, men begreep dat het toch niet zo gek was wat we deden.”
 

Kookles

Nee, zijn leven bestaat niet alleen maar uit wetenschap. Hij heeft andere bezigheden binnenshuis, zogezegd, waar hij ook graag over praat. Een favoriet onderwerp is koken. Een wederzijdse bekende die hoort dat de verslaggever hem thuis zal opzoeken: “Gaat-ie voor je koken?” Het klonk bijna jaloers. Hemker schreef ooit zelfs een kookboek samen met chefkok Jacques Zeguers.

En literatuur dus, inclusief de schrijvers, eveneens een geliefd onderwerp: “Ik heb ooit in Parijs een avondje genoeglijk zitten drinken met W.F. Hermans. Dat fameuze chagrijn van hem viel reuze mee hoor. Hella Haasse heb ik kookles gegeven, ze is hier ook een keer thuis geweest.”

En klarinetten bouwen, of opknappen. “Kom maar even mee.” Op zolder, onder de ruwe dakspanten, is zijn werkplaats. Keurig in gelid op de werkbank een hele rij kale stukken buxushout, “het moet buxus zijn, moet je kijken wat mooi, net ivoor.” Hij laat er liefkozend zijn vinger over glijden. Ergens staat een klarinet “uit de tijd van Mozart, tweede helft achttiende eeuw”.  Maar hij speelt niet meer zo veel, ook niet op de fagot, “mijn embouchure is minder geworden, daar moet ik weer op oefenen”.

 

Sarcasme

Koken, muziek maken, lezen, knutselen (“als ik iets ben, is het een knutselaar”); er zijn duizend dingen die Coen Hemker liever doet dan besturen. En toch werd hij rector. Waarom? Tja, het moest, vond hij, de tijd vroeg erom.

Want ofschoon er in de eerste vijf jaar na de stichting van de RL stevige resultaten op onderzoeksgebied waren geboekt, met name in de cardiologie, biochemie, fysiologie en farmacologie, was dat toch vooral aan eigenwijze wetenschappers als Rob Reneman en Hemker zelf te danken. “Research was toen niet salonfähig hier”, zegt hij. 

Maar het zijn de vroege jaren tachtig, het economisch getij begon tegen te zitten, er dreigden bezuinigingen en omdat Maastricht door zowel de zusterinstellingen als in de politiek nog steeds niet voor vol werd aangezien was het verre van ondenkbaar dat de hele winkel met één Haagse pennenstreek weer gesloten zou worden. Een goed wetenschappelijk profiel was dan wel het minste wat je in de strijd moest gooien, vond Hemker, en dus stelde hij zich kandidaat voor het rectoraat.

Kat in het bakkie, zo’n gerenommeerde wetenschapper als boegbeeld? Nou nee. Het college van bestuur, vooral voorzitter Rob van den Biggelaar, was tegen.  Hoewel Hemker was voorgedragen door het college van decanen. Toen nog een bescheiden clubje overigens: geneeskundedecaan Co Greep en Hans Philipsen namens de voorloper van gezondheidswetenschappen, plus de scheidende rector. En ze hadden de steun van het hooglerarencorps.

Hemker: “Rob verzette zich. Hij stuurde medio ‘81 een brief naar de decanen, die heb ik helaas niet, maar wel het antwoord.”

Hij staat op uit zijn stoel en duikelt uit zijn archief de brief op van de decanen. “Ik geloof dat die door Hans Philipsen geschreven is.” (Philipsen desgevraagd: “Haha, dat zou héél goed kunnen.”) Het blijkt een hilarisch stukje proza waarin de bestuurders flink de oren wordt gewassen.

Wat had men in godsnaam op deze kandidaat tegen? Was hij onder de maat? Nee, eerder het omgekeerde, deze ‘eminente wetenschapper’ moest vooral aan wetenschap blijven doen en kon dus beter geen rector magnificus kon worden, schreef Van den Biggelaar. Dat was tegen het zere been van de zeer rolbewuste decanen. Wetenschap en alles wat daarmee samenhangt, dat was hun afdeling, het bestuur moest ervan afblijven. Philipsen nu: “Een collegevoorzitter had zich gewoon niet te bemoeien met een rectorsvoordracht.”

Sinds wanneer, zo vragen de decanen zich daarom retorisch in hun brief af, heeft een college van bestuur ‘zonder raadpleging van faculteiten een oordeel over de wetenschappelijke kwaliteiten van een medewerker’? En waren de eerdere rectoren dan geen eminente wetenschappers? En die aan andere universiteiten in binnen- en buitenland? Nee, ‘de RL zou universitaire geschiedenis maken door niet-eminente wetenschappers voor te dragen.’ En zo gaat het nog een tijdje door, het sarcasme druipt ervan af, Van den Biggelaar moest inbinden, het college van bestuur had Hemker in zijn midden maar te gedogen.

Waar de onderlinge verhoudingen uiteindelijk helemaal niet zo slecht bleken te zijn, vertelt Hemker droogjes.

Maar was het niet gewoon omdat je een lastpak bent?

Hij zet zijn onschuldigste gezicht op: “Dat bèn ik toch helemaal niet?”

 

Pokkenbaan

Philipsen denkt te weten waar de schoen wrong: “De portefeuille van de rector, dat is onderwijs en onderzoek, en Coen zou zich vooral op dat laatste richten. Rob van den Biggelaar wilde iemand erbij die volop meedeed op àlle dossiers, echt collegiaal bestuur. En er waren natuurlijk twijfels over zijn steun voor het onderwijssysteem. Maar wij wilden hem vooral om de wetenschappelijkheid van de instelling te bevorderen.”

Hemker zou het drie jaar doen, en werd ergens tegen het eind van die periode door minister Deetman gevraagd om Van den Biggelaar als collegevoorzitter op te volgen, maar “daar heb ik nog geen minuut over nagedacht.”

Je vond het rectoraat al een pokkenbaan.

“Ja. Je kunt wel iets tot stand brengen, maar veel minder dan je wilt. Weet je, besturen is zó weinig interessant, research is zó veel boeiender! Bovendien, de beste bestuurder is die waar je geen last van hebt. ADHD-bestuurders, dat is het ergste wat je kunt hebben.”

Zoals tegenwoordig?

“Dat weet ik niet, dat volg ik niet meer. Ik heb me overigens best vermaakt hoor, ruzietjes sussen, de verhoudingen soepel houden, daar hield ik wel van.”

O ja? Als mensen jou omschrijven zeggen ze: intelligent, creatief, maar niet bepaald empathisch.

“Dat herken ik wel. Maar ik kàn het wel, als ik er goed voor ga zitten. Ik herinner me een knetterende ruzie tussen Co Greep, die was altijd nogal uitgesproken, en Jan Drukker, de anatoom, op mijn kamer. Binnen vijf minuten was het schreeuwen: ‘En jij, lul…’ Dus ik zeg: ‘Co, als je dat mannelijk imponeergedrag nou eens achterwege laat?’ En hij luisterde. Ik had hem hoog zitten hoor, zonder hem had de faculteit er niet zo uitgezien als nu.”

 

Nobelprijs

Er is nog een eigenschap die mensen aan Hemker toeschrijven: ijdelheid. Daar is wel eens een grap mee uitgehaald, vertellen oud-medewerkers. Het verhaal: ofschoon hij ontdekkingen heeft gedaan waar hij de Nobelprijs voor had kunnen krijgen, is dat nooit gebeurd. Op een keer werd hem gevraagd om naar het toenmalige hoofdgebouw te komen omdat er een telegram uit Stockholm lag, en of hij er iets van wist. Hemker pakte de fiets en reed spoorslags naar de Tongersestraat. Waar natuurlijk geen telegram te bekennen was.

Hemker nu, met een scheef lachje: “Ik had dat echt wel door hoor, dat het een grap was, maar ik speelde het mee.”

Maar hàd je de Nobelprijs kunnen winnen?

(Licht geïrriteerd) “Tja, dat weet je nooit. Er hadden voor ik naar Maastricht kwam wel vier artikelen in Nature gestaan, drie van mij en een van Rob Zwaal, over onder meer de rol van vitamine K en van fosfolipiden in de bloedstolling; het zou dan op basis daarvan zijn. Maar wat het echte probleem is: dit onderwerp werd niet eens gezien. Bloedstolling en trombose hebben wetenschappelijk gezien altijd in het verdomhoekje gezeten. Terwijl, ik laat het zien in mijn afscheidsrede, meer dan de helft van de mensen doodgaat door trombose. De hartinfarcten, de beroerten, de doden door kanker: een groot deel daarvan betreft trombose. Ik gefrustreerd door het missen van de Nobelprijs? De frustratie zit meer in de ontkenning van dit gebied in de geneeskunde. In lijstjes van de belangrijkste medische uitdagingen komt het niet voor, de nationale wetenschapsagenda noemt het niet. Als je op een feestje zegt dat je kankeronderzoeker bent hangt iedereen aan je lippen, als ik zeg dat ik de bloedstolling onderzoek, vragen ze: waar is de bar?”

Even terug naar die ijdelheid.

Met een brede glimlach: “Natuurlijk, dat ben ik ook. Weet je, mensen die graag college geven, die graag op het toneel staan, die hebben allemaal iets van: kijk mij eens. Dat moet je ook hebben, anders geef je geen goede voordracht. Mensen die mij niet mogen, noemen me ook nog een opschepper. Of een narcist, maar dat klopt niet, dat is een term uit de psychiatrie, dat is een afwijking.” Hij weet er iets van: Hemkers vrouw Constance, Stannie voor vrienden, is psychiater en psychoanalytica.

 

Schadeclaims

We zijn intussen verhuisd naar de computerkamer. Daar toont Hemker op het scherm de plaatjes die hij tijdens zijn afscheid op 17 mei wil laten zien. Verstokt wetenschapper als hij is ziet hij er geen been in om ook een armzalige alfa de ins and outs van trombinevorming, van bloedplaatjes, van de flip-flop en wat al niet uit te leggen, verluchtigd met diagrammen. En hij vertelt enthousiast over wat zijn volgende kunstje gaat worden. Wat is het geval? Er is een nieuw type geneesmiddel tegen trombose, dat werkt door de trombinevormende capaciteit van het bloed te verminderen. Het wordt geleverd in de vorm van een pil, in standaarddosering. Hemker: “Die werkt bij 80 procent van de patiënten goed, bij 20 procent niet. Die krijgen te veel of te weinig, en dan krijgen ze ofwel bloedingen ofwel trombose. Er zijn wereldwijd miljoenen patiënten, dus je hebt het over tienduizenden die problemen ondervinden. De industrie koopt de schadeclaims af via schikkingen, ik heb uitgerekend dat ze dat gemiddeld 30 duizend dollar per keer kost. Dat kunnen ze gemakkelijk voorkomen door een test die wij hebben uitgevonden, waaraan je kunt zien wie welke dosis nodig heeft. Als ze morgen op de stoep staan en mij 1 promille van hun schade geven, zo’n kwart miljoen dollar, dan hebben ze die test binnen twee jaar. Maar ja, die dingen gaan langzaam, ik weet niet of ik het nog ga meemaken.”

Wanneer ga je dood dan?

“Nou, vanaf mijn vroegste jeugd denk ik al: op mijn 88e. Mijn overgrootvader, mijn grootvader, mijn vader, allemaal gingen ze dood met 88, 89. Ik hoop dat het opschuift, de dokters zijn knapper geworden, dus wie weet.”

 

Categories:Categorieën:
Tags:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)