Een scène uit Verloren Jaren:
Bart, een jonge Filmacademiestudent, zit aan tafel met zijn studiebegeleider.
Bart: “Jullie zijn verantwoordelijk voor de acteurs die in de trein zitten, en dat er iets in mijn koffie zit. Ik wil dat het stopt.”
De studiebegeleider: “We hebben het beste met je voor. Weet je Bart, het leven is soms net een film.”
Bart: “Dus jullie zitten erachter?”
De studiebegeleider: “Nee, dat zeg ik niet. We zijn tevreden over je resultaten. Pak je camera en film waar je last van hebt.”
Vervolgens filmt Bart iedereen – in de boekhandel, op straat, bij de glasbak – die hij ervan verdenkt een rol te spelen.
Bart, de hoofdpersoon, is een jongeman die na drie keer te zijn uitgeloot, wordt aangenomen op de Filmacademie in Amsterdam. Een wens gaat in vervulling, maar een hel wacht hem.
Filmmaker Bas Labruyère (37) is Bart. Het scenario van Verloren Jaren is gebaseerd op zijn eigen tijd aan de academie en daarna, waarin hij langzaam alle grip op de werkelijkheid verliest, wordt geplaagd door stemmen, van de opleiding wordt gestuurd, zijn bijbaantje in de boekhandel verliest, zich opsluit, vereenzaamd en liters alcohol drinkt om maar verdoofd te zijn. Hij is in een psychose beland. In mei 2008 wordt hij opgenomen. De diagnose: schizofrenie.
“Ik dacht dat ik in een spel zat, dat de Filmacademie acteurs op me had afgestuurd”, vertelt Labruyère. “Ik ging ervan uit dat ik achtervolgd werd. Dat was voor mij een feit en daar breide ik allerlei theorieën omheen. Ik dacht zelfs dat het collectieve bewustzijn van Nederland om mij draaide. In vijf jaar tijd werd mijn eigen werkelijkheid alsmaar groter en gekker.” De laatste twee jaar hoorde Labruyère 24 uur non-stop stemmen. “Mijn enige doel van de dag was om bij de slijter te komen. Dat was een hele sport, want ik koos uit achterdocht verschillende routes. Soms dacht ik zelfs dat de alcohol vergiftigd was. Ik was elke dag stomdronken. Anders was het ook niet vol te houden.”
Prestatiedruk
Labruyère groeit op in het Friese plaatsje Wolvega. Op zijn achttiende vertrekt hij naar Maastricht waar hij Japans gaat studeren aan de Vertaalacademie. “Alles was nieuw, ik woonde voor de eerste keer op mijzelf, had moeite om mijn draai te vinden.” Hij liep studievertraging op en moest zijn propedeuse opnieuw doen. “In het tweede jaar kwam ik tot bloei. Het ging me makkelijk af, ik werd lid van het studententheater en richtte een vereniging op. Ik heb er goede herinneringen aan.” Zijn kennismaking met het studententheater overtuigt hem van wat hij met zijn leven wil: acteren of regisseren. Later bedenkt hij: ik ga naar de Filmacademie. Daar wordt hij na een vierde poging aangenomen. Het is dan 2001. De eerste symptomen van een psychose steken de kop op: hij krijgt hartkloppingen na een kop koffie en wijst met een beschuldigende vinger naar de Filmacademie. Zij zouden iets in zijn koffie hebben gedaan. Het is gissen waarom Labruyère er op dat moment last van krijgt. “Ik was een laatbloeier. Normaal gesproken krijgen jongeren tussen hun 17e en 23e een eerste psychose.” Zelf noemt hij een combinatie van factoren. Een: hij stopte met drugsgebruik. “Voordat ik werd aangenomen, gebruikte ik regelmatig xtc en cocaïne.” Twee: de prestatiedruk op de academie. En tot slot zijn genetische aanleg. “Mijn opa heeft in een gekkenhuis gezeten, maar goed, ik weet niet waarom, dus dat zegt ook weer niet zoveel.”
Wakker worden
De studiebegeleider en decaan adviseerden hem naar de huisarts te gaan. Labruyère: “Dat deden ze aan de lopende band.” Uiteindelijk beschuldigde hij hen in een mailtje van “terreur. Ik eiste een verklaring over wat mij was aangedaan.” Hij werd van de opleiding gestuurd. “Ik vond het prima en dacht: ‘Nu laten ze me eindelijk met rust’. Maar de hallucinaties gingen door, ik takelde gigantisch af. Ja, ik vond dat ze hadden moeten ingrijpen. Dat is ook het allerergste aan de ziekte: het duurt gemiddeld een paar jaar voordat er hulp komt. Mijn missie is dan ook dat psychoses in een zo vroeg mogelijk stadium door de omgeving worden herkend. In mijn omgeving was er niemand die ingreep; ik sloot ze ook buiten. Ik nam de telefoon niet op.”
Toen de huisbaas dreigde hem uit zijn kamer te zetten, trok hij in bij een bevriend stel in Den Haag. Zij belden uiteindelijk de crisisdienst. Labruyère verbleef zes weken in een psychiatrische kliniek. “Het was verschrikkelijk om ‘wakker te worden’ uit die psychose. Ik schaamde me, had schuldgevoelens. Ik had bijna heimwee naar mijn oude wereld. Dat liever dan die nieuwe leegte.”
De Filmacademie heeft hij nooit afgemaakt. “Ik heb wel een verzoek gedaan om af te studeren, maar ik mocht niet terug vanwege ‘financiële en organisatorische redenen’. Ik vond het onrechtvaardig: word je na vier pogingen toegelaten, krijg je een psychose, word je wakker en mag je niet meer afstuderen.”
“Ik ben mede door het maken van de film goed hersteld. Ik had nooit gedacht dat deze zo goed zou worden ontvangen in het GGZ-circuit – studenten geneeskunde, psychiaters-in-opleiding, verpleegkundigen, de vereniging van lotgenoten, families, hulpverleners, et cetera.” Samen met zijn broer Robert, die de film heeft geproduceerd, werkt Labruyère momenteel aan een aantal projecten om de beeldvorming rond het ziektebeeld te verbeteren. “Eventueel komt er een vervolgfilm. Het hoogst haalbare is een bioscoopfilm.”
Wendy Degens