Collaborateurs werkten tegen goed salaris in Limburgse steenkolenmijnen

Collaborateurs werkten tegen goed salaris in Limburgse steenkolenmijnen

Proefschrift over tewerkstelling van politieke gevangenen na WO II

17-10-2022 · Achtergrond

Het is nooit een geheim geweest, maar evenmin algemeen bekend: na de Tweede Wereldoorlog werkten dertienduizend NSB’ers en oorlogsmisdadigers in de Limburgse steenkolenmijnen. Dat mijnwerkers gedwongen werden om met deze ‘ongewenschte elementen’ samen te werken, is een mythe, zegt Annet Schoot Uiterkamp, die er een proefschrift over schreef.

Na de bevrijding van Zuid-Limburg in september 1944, acht maanden eerder dan de rest van Nederland, lagen twee prangende vragen op tafel. Hoe krijg je de economie weer aan de praat? En wat te doen met collaborateurs? 

De zeer Duitsgezinde Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) was sterk vertegenwoordigd in Zuid-Limburg. Dat blijkt niet uit het proefschrift van Annet Schoot Uiterkamp, wel uit eerder onderzoek onder auspiciën van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg, uit 1975. De NSB behaalde in de provincie Limburg de meeste stemmen bij de landelijke verkiezingen in 1935, en eindigde in 1937 op de derde plek. 

In september 1944, pal na de bevrijding, liet men er in Limburg geen gras over groeien. Op basis van officiële documenten maar ook op aanwijzing van buurtgenoten werden ‘foute’ Limburgers uit hun huizen geplukt en opgepakt. Een jaar later zaten 6615 politieke gevangenen, voornamelijk NSB’ers, vast in elf verschillende kampen. 

Spekholzerheide

Ondertussen brak men zich het hoofd over het herstel van de lokale economie. De mijnen speelden daarbij een hoofdrol, en die schreeuwden om arbeidskrachten. Ook omdat alle grenswerkende Duitsers meteen na de oorlog waren ontslagen. In de mijnen werkten bovendien een hoop onderduikers, die zo de Arbeitseinsatz in Duitsland probeerden te ontlopen, maar ook die vertrokken weer na de bevrijding. 

Al snel dook bij de mijndirecties het plan op om de politieke gevangenen te werk te stellen. Den Haag wilde er aanvankelijk niets van weten, maar ging na verloop van tijd akkoord met een eerste experiment in Spekholzerheide. Hier lag de ‘gevangenis’, een oude school, slechts een paar honderd meter verwijderd van de mijn Willem-Sophia. Het ging om 187 NSB’ers, tevens oud-mijnwerkers.

Het valt allemaal te lezen in het proefschrift Kolen en kampen van buitenpromovenda Annet Schoot Uiterkamp (72). Ze heeft gewerkt als wetenschappelijk bibliothecaris bij onder meer de Maastrichtse Tolk Vertalersopleiding (nu onderdeel van Zuyd Hogeschool) en bij de Jan van Eyck Academie. “Ik zou een artikel schrijven voor het jaarboek van het Sociaal-Historisch Centrum, maar het is volledig uit de hand gelopen.” 

Krabbelaars

Veel ouderen in Zuid-Limburg kunnen zich nog herinneren hoe ze als kind een stoet van gevangenen door de straten zagen trekken, zegt Schoot Uiterkamp. “Ze werden door sommige toeschouwers uitgejoeld, door anderen toegezwaaid. Dat laatste gebeurde vooral door de vrouwen van de gevangenen. Vanuit andere kampen legden ze vele kilometers af. Maar ze werden ook wel per bus vervoerd.”

In het begin draaide het alleen om Limburgse gedetineerden die lid waren geweest van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Schoot Uiterkamp: “Deze leden hadden misschien gecollecteerd, aan propaganda gedaan of andere Nederlanders geronseld. Het waren in mijn ogen kleine krabbelaars.”

Vanaf 1946 kwamen politieke gevangenen uit het hele land om in de mijnen te werken, en daar zaten zware jongens tussen. “Zoals Nederlanders die bij de SS hadden gezeten, die hadden meegeholpen aan de jodenvervolging, of kampbewaker waren geweest. Al bestond deze elite-eenheid uit grote maar ook kleine vissen, zoals chauffeurs. Ook Duitsers die in Nederland misdaden hadden begaan, hebben in de mijn gewerkt, waaronder Albert Konrad Gemmeker, de commandant van kamp Westerbork.”

Van dwangarbeid was echter geen sprake, ontdekte Schoot Uiterkamp. “De gevangenen konden er vrijwillig voor kiezen. Ze werden geworven met aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden en konden rekenen op een hoog salaris. Daar zagen ze zelf overigens niets van, het werd uitgekeerd aan hun gezin.”

Verlof

Vanaf 1946, nadat het hele land was bevrijd, werden tribunalen en bijzondere gerechtshoven op poten gezet, die ‘foute’ Nederlanders berechtten. Tegelijk experimenteerde men in Limburg met vernieuwingen in de kampen. Het doel van de detentie verschoof: vergelding raakte ondergeschikt aan een geslaagde terugkeer in de samenleving. 

“Het waren mooie kampen, wel met barakken, maar ook met gemeenschappelijke ruimten. Daar konden gevangenen films kijken, lezingen en cursussen volgen. Populair waren de zangtrainingen in een koor. Ook vernieuwend was dat dezelfde leeftijden in de barakken bij elkaar werden geplaatst.”

Toppunt van vernieuwing was het verlofcentrum, zegt Schoot Uiterkamp. “Gevangenen hadden recht op een week verlof per jaar. En die dagen konden ze doorbrengen in het verlofcentrum in Treebeek, ofwel Rijkswerkinrichting De Passart. Daar luisterden ze naar muziek, of gingen onder begeleiding wandelen. Ook mocht men er bezoek ontvangen en dronk men koffie uit mooie aardewerken kopjes. Wie zijn straf er bijna op had zitten, ging echt met verlof en mocht enkele dagen op proef naar huis.”

Aparte pijlers

Al met al heeft de tewerkstelling van de politieke gevangenen goed uitgepakt voor de Limburgse mijnen. In totaal gingen ruim 13 duizend delinquenten ondergronds. Tussen 1946 en 1948 maakten zij in sommige mijnen 15 procent van het arbeidspersoneel uit.

Een verhaal dat steeds terugkeert in boeken en artikelen is dat mijnwerkers gedwongen werden om zij aan zij met SS'ers te werken en dat men zich daar hevig tegen verzette. Maar daar is geen enkele aanwijzing voor, zegt Schoot Uiterkamp. "In het begin kwamen mijnwerkers de politieke gevangenen nooit tegen. Ze begonnen op afwijkende tijdstippen en werkten in aparte pijlers. Later werkten men wel samen maar dat gaf nooit problemen."

Sterker, men was op elkaar aangewezen. Of zoals een oud-mijnwerker het later verwoordt in een interview: "Als je vijandig tegenover elkaar staat, dan blijf je kapot daar onderin het gat hè, omdat de gevaren te groot zijn."

Foto: afkomstig is uit de fotocollectie van Kevin Raetsen te Weert, de fotograaf is niet bekend

Tags: Mijnen

Reacties

Leon Goesman

Lees ook mijn roman Het nadeel van de twijfel. De vader van de ik-figuur werkte ook als politieke delinquent in de Limburgse mijnen. Het beeld in de roman is minder positief dan het door Annet Schoot Uiterkamp geschetste. Zie https://leongoesman.wordpress.com voor meer info over de roman en ook voor recensies van Het nadeel van de twijfel

Jan Kohlbacher

Geachte,
Prof. Leonie Cornips wees me op deze bijdrage. Zelf heb ik de geschiedenis van de kampen bij de Belgisch Limburgse mijnen onderzocht en beschreven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog 1942-1944 Russische krijgsgevangenen, 1945-1947 Duitse krijgsgevangenen en Belgische politieke gevangenen. Deze laatsten kregen niet die bijna "bevoorrechte" behandeling als de NSB-ers bij de Nederlands Limburgse mijnen. Dit is een interessante bijkomende informatei.
Met dank en achting;
Jan Kohlbacher
Stichting Erfgoed Eisden

Voeg reactie toe

Klik hier voor onze privacyregels

Vanaf januari 2022 plaatst Observant alleen nog reacties van mensen wier naam bekend is bij de redactie.