Ik mocht afgelopen december de prijs van Write Now! uitreiken, een landelijke schrijfwedstrijd voor jongeren die ik in 2021 won met een verzameling gedichten. Ik waardeer het dat de organisatie de winnaar traditiegetrouw omdoopt tot juryvoorzitter. Niet alleen omdat het voor de winnaar een mooie afsluiter is van het jaar (en het voor mij heel leuk was om te zien hoe zo’n juryproces verloopt), maar ook omdat er dan automatisch iemand in de jury zit die snapt hoe het is om binnen drie weken tijd een zo goed mogelijke tekst te schrijven, om vervolgens trillend op een stoeltje in Rotterdam de beoordeling aan te moeten horen, je hartslag tot in je vingertoppen doordreunend.
Toch vond ik het ook een lastige klus. Allereerst omdat het niet makkelijk is om twaalf inzendingen te beoordelen én vergelijken, maar ook omdat ik – net zoals toen ik de prijs ontving – werd geconfronteerd met een portie imposter syndrome. Wie ben ik om aan te kondigen wie de beste jonge schrijver van het jaar is? Waar heb ik die autoriteit aan verdiend? Aan het schrijven van acht gedichten, een jaar geleden? Een aantal finalisten werd zichtbaar zenuwachtig toen ik de zaal binnenkwam. Ik vond dat een hele vervreemdende ervaring, omdat het grootste verschil tussen mij en hen was dat ik een stukje verlossende informatie kwam brengen. Gelukkig werd ik meteen een stuk menselijker toen ik vlak voor de uitreiking over een uitstekend vloerdeeltje struikelde en viel.
Met mijn oplichterssyndroom gaat het trouwens iets beter, want ik begin steeds meer in de kwaliteit van mijn werk te geloven. Als mensen het mooi vinden, er zelfs een prijs aan willen toekennen, dan kan ik alleen maar dankbaar zijn. Je afvragen of je iets verdient, is niet ongezond. Ik doe het voortdurend en, aan de ontsteltenis op zijn gezicht te zien, deed de Write Now!-winnaar van dit jaar dat ook. Tegelijkertijd mag het antwoord op die vraag best ja zijn. Zelfs als je er blauwe knieën aan overhoudt.
Puck Füsers