Hoe staat het met de werkdruk? Voel je je veilig op het werk? Hoor je erbij? Ga je op maandag weer uitgerust aan de slag? In 2022 vulden 885 medewerkers - 18,6 procent - de vragenlijst in van de tweede ‘duurzame inzetbaarheidsmonitor’. Een lage respons. Aan de eerste enquête in 2018 (allebei in opdracht van het college van bestuur) nam 63 procent van alle medewerkers deel.
De uitkomsten zijn dan ook niet één-op-één met elkaar te vergelijken, schrijven de onderzoekers, maar wie op “een hoger niveau” de twee monitors met elkaar vergelijkt ziet dat er in de laatste vier jaar weinig is veranderd. Een aanzienlijk deel van het personeel heeft een “(zeer hoog) risico op een burn-out”. En: “Het is alarmerend dat een substantieel deel van UM-medewerkers nog steeds een hoge herstelbehoefte heeft en een (te) hoge werkdruk ervaart.”
Kort lontje
De samenvatting van de uitkomsten op UMployee (intranet) doet in de ogen van Angelique de Rijk, hoogleraar Arbeid en Gezondheid (FHML), geen recht aan de ernst van de situatie. Een politiek getinte samenvatting, vindt ze. Ze heeft het meer dan tweehonderd pagina’s dikke rapport grondig gelezen, gelet op het aantal post-its, onderstrepingen en opmerkingen in de kantlijn. “De burn-outpercentages worden bijvoorbeeld niet genoemd: 16,1 procent van het ondersteunend personeel (obp) en 34,5 procent van het wetenschappelijke personeel (wp) heeft een hoog tot zeer hoog risico.” Ze wijst ook op het percentage mensen (46,6 procent) dat (zeer) veel last heeft van “emotionele ontregeling”, een van de kenmerken van een burn-out. “Wij scoren bijna twee keer zo hoog als gemiddeld in Nederland. Of neem uitputting, een andere indicator: 22 procent van het UM-personeel heeft een zeer hoog risico daarop. Van de Nederlandse werknemers scoort maar 6 procent zo hoog. De onderzoekers hebben alles bijzonder neutraal verwoord in het rapport, maar ook zij spreken van ‘verontrustende cijfers’.” Wat betekent dit voor de werkvloer, vraagt ze zich hardop af. “Deze mensen zijn hartstikke moe, het moet gevolgen hebben voor de kwaliteit van hun werk, dat kan niet anders. En voor de samenwerking: wie zo uitgeput is, heeft zijn emoties niet altijd in de hand, denk aan een kort lontje, aan spontaan huilen, aan lange tenen.”
Schaap met de vijf poten
Een groot deel van deze overbelaste groep (bijna 60 procent) heeft stappen ondernomen om de werkdruk te verminderen, staat in het rapport, maar dat is lang niet altijd gelukt. De Rijk: “Je ziet dat dit probleem te groot is voor een individu alleen, het gaat hier om het falen van het systeem. Vooral de groep die onderzoek en onderwijs combineert, zoals de universitair docenten, komt in de knel. Zij hebben de laagste arbeidstevredenheid en het grootste risico op burn-out. Dit bewijst dat het schaap met de vijf poten niet bestaat. Er is een grote groep aan onze universiteit die alleen maar bezig is met het hoofd boven water te houden. Dat bedreigt de innovatiekracht van de UM. Hoe kun je nieuwe ideeën bedenken als je continu te moe bent?”
Overwerk
Gemiddeld hebben mensen een aanstelling van bijna 35 uur per week, maar het daadwerkelijk aantal gemaakte uren ligt structureel vijf uur per week hoger. Ook hier gaat het om een gemiddelde van al het personeel, wp en obp, er zijn dus mensen die minder, maar ook veel meer uren overwerken. De Rijk: “Het is schrijnend dat ik het moet noemen en het is nog niet wetenschappelijk onderzocht, maar ik hoor te vaak dat een hoogleraar rond het pensioen ernstig ziek wordt. Dan heb je jaren keihard gewerkt en kun je niet meer van je pensioen genieten.”
Mailtjes in het weekend
Mark Levels, hoogleraar Gezondheid, Onderwijs en Werk aan de School of Business and Economics en programmadirecteur bij het Research Centre for Education and the Labour Market, ROA, loopt zijn werkkamer aan de Tongersestraat binnen met een kersvers proefschrift in de hand. “Altijd een mooi moment als het gedrukt is”, zegt hij zichtbaar vergenoegd. Om meteen te vervolgen: “Deze promovendus heeft me als eerste gevraagd om geen mailtjes meer in het weekend te sturen. Mijn eerste reactie was: ‘Ik werk veel, ook in het weekend. Als jij niet op je mail kijkt, is het probleem de wereld uit. Maar dat was niet de les. De les was dat ik zélf ook niet in het weekend moet werken. Was het niet Gandhi die zei: ‘Be the change you want to see in the world’?”
Moordend
Hij schrikt van de uitkomsten van de monitor, “dit is een punt van zorg, zacht uitgedrukt”. Levels ziet om zich heen hoe hard collega’s werken en hoe betrokken ze zijn. “Een onderzoeker heeft geen makkelijke baan. Je moet heel goed zijn in iets dat gecompliceerd is, je wordt voortdurend geconfronteerd met kritiek en je moet tegelijkertijd - dit geldt helemaal voor beginnende onderzoekers - dealen met het gevoel ‘dadelijk val ik door de mand’. Los daarvan zijn de verwachtingen hoog en is de competitie moordend. Je moet excelleren en dus ga je automatisch hard rennen.”
Hoe voorkom je dat mensen over de kling worden gejaagd? Hij ziet hier een belangrijke rol voor de leiders binnen de UM. “Onderwijs en onderzoek zijn belangrijke taken, die moeten we goed doen. Maar wij als werkgevers moeten een sociaal veilige sfeer creëren waarin het volledig prima is dat mensen zeggen: nee, deze deadline gaat niet lukken, het past nu even niet want mijn familielid is ziek, of ik heb net een kind gekregen en dat is wennen. Het zou fijn zijn als we dit niet meer als falen zien.”
Baas die ook worstelt
Het is daarom belangrijk dat een leidinggevende de privésituatie meeneemt als de loopbaanplanning op de agenda staat, benadrukt Levels. “De grootste knelpunten, dat blijkt ook weer uit dit rapport, zitten in de groep medewerkers zonder vast contract en de universitair docenten. Zij combineren hun werk vaak met een jong gezin. Zij moeten enorm veel ballen in de lucht houden: én onderwijs, én onderzoek, én subsidies binnenhalen. Als je ‘Erkennen en Waarderen’ echt serieus neemt, dan kijk je waar de kracht van deze mensen ligt en wat reëel is op dit moment in hun leven. Je doet hen een enorm plezier door geen extra druk op te leggen met een krappe deadline.” Maar het helpt ook als de baas zelf laat zien dat hij of zij worstelt met de werkdruk. “Het gaat om een cultuurverandering en die verander je alleen door zelf het voorbeeld te geven.”
Wat als dit betekent dat een publicatie, of een proefschrift of een project later dan gepland afkomt? Of dat een mogelijke bevordering langer op zich laat wachten? Het zij zo, zegt Levels opgewekt, zo’n ramp is dat allemaal niet. “Wij moeten binnen het ROA zelf onze broek ophouden, al het geld komt binnen via subsidies en we verwachten van onze mensen dat ze zelf geld binnenhalen. Maar bij alle klussen vragen we ons af: past het? Hebben we de mensen en kan het binnen de tijd? Zo niet, dan gaan we praten met de opdrachtgever. En kan die niet schuiven, dan gaat het niet door. Vroeger stond ik vaker om 4.30 uur op om te werken, en ging ik in het weekend door, dat doe ik dus niet meer.”
Korter academisch jaar
Een korter academisch jaar, een van de actiepunten die na de eerste duurzame inzetbaarheidsmonitor uit de bus kwamen, en waar nu mee geëxperimenteerd gaat worden, zou “enorm helpen”, vermoedt Levels. “Ik zat een tijdje in Oxford, daar hebben ze drie terms van acht weken, tussendoor waren er nog wat keuzevakken, maar de staf had in die tussentijd de ruimte voor onderzoek. Wij proberen nu binnen mijn team in het ROA een week in de maand ‘vrij’ te plannen: geen afspraken met promovendi, geen vergaderingen over projecten. Het onderwijs loopt wel gewoon door, maar zo’n relatief lege week geeft je tijd om weer eens bij iemand binnen te lopen, stukken te lezen en te schrijven.”
De Rijk is kritischer. “Zo’n korter academisch jaar is een goed idee als je ook het aantal blokken, en vooral het aantal contacturen per blok, vermindert en daarmee de eisen aan studenten. Maar gaan de accreditatiecommissies ermee akkoord? Voldoen we dan nog aan de criteria?” Studenten moeten nu per jaar (een studiejaar bestaat uit 60 ECTS, elk punt staat voor 28 uur) 1680 uur aan hun studie besteden. “Je kunt niet een beetje shoppen in die actiepunten, alles hangt met alles samen.”
Normuren
De Rijk: “Als ik rondvraag wat het grootste pijnpunt is, hoor ik vooral: de normuren kloppen niet (hoeveel krijgt een docent voor het begeleiden van een scriptie, het maken van een toets, enzovoort). Daar moet echt iets aan veranderen, we moeten meer tijd krijgen voor de taken. Ik krijg nu voor een onderwijsgroep 1,5 keer het aantal contacturen. Kijk: je moet naar het lokaal toe, je moet ik weet niet hoeveel systemen bijhouden, je moet een luisterend oor hebben voor studenten die je na de onderwijsgroep aanschieten, met inhoudelijke vragen, persoonlijke problemen, en ook al ben je zoals ik een routinier, ik moet toch iedere keer vooraf even door de stof lopen.” Doe dan maar wat minder hard je best, is niet de oplossing, weet De Rijk. “Mensen hebben een hoge werkbetrokkenheid, die willen niet de helft van hun tijd een tandje lager werken. Je wilt het goed doen.”
Vicieuze cirkel
Kortom: er moet meer geld bij voor het onderwijs, concludeert De Rijk. “Anders komen we nooit uit deze vicieuze cirkel.” Ja, ze weet dat er nu starters- en stimuleringsbeurzen aankomen voor onder andere ud’s, maar gaan die daadwerkelijk de werkdruk verminderen, of wordt dat meer van hetzelfde? “Straks mogen ud’s hun onderwijs uitkopen. Wie moet het dan doen?”
Wat sowieso moet, aldus De Rijk: “De zaken beter organiseren, laten we de taken verdelen en meer differentiëren: moet een ud zoveel onderwijs en onderzoek doen? Misschien moet je aan het begin van je loopbaan meer onderwijs geven, je hebt je immers al bewezen als onderzoeker, je bent gepromoveerd. En dan later minder onderwijs en meer onderzoek en subsidies binnen halen.”