Eerder dit jaar vulden 1700 studenten een vragenlijst van website De Geneeskundestudent in. Tv-programma Nieuwsuur berichtte erover: een derde van hen vond het verplichte karakter van op elkaar oefenen, een vast onderdeel van geneeskundeopleidingen, problematisch. Een kwart zei zich er ongemakkelijk bij te voelen en eveneens een kwart zou over dat ongemak niet aan de bel trekken bij de begeleider of universiteit.
Hoe heet die soep in Maastricht gegeten wordt? Niet zo heet, zo lijkt het. Bij medische studievereniging Pulse zeggen ze desgevraagd geen signalen te krijgen van studenten die echt bezwaar hebben. Ongemak is er soms wel, maar, zo klinkt het, “dat is niet hetzelfde als je bezwaard voelen”.
Oefenen op elkaar hoort erbij
Femke Jongen beaamt dat. Ze leidt het Skillslab van de faculteit Health, Medicine and Life sciences (FHML). Daar oefenen geneeskundestudenten hun praktische vaardigheden, van consulten afnemen en reanimeren tot diverse lichamelijke onderzoeken. Op poppen (modellen), simulatiepatiënten, echte patiënten én elkaar. Want dat laatste hoort er gewoon bij, benadrukt Jongen: “Op je medestudenten kun je vaker oefenen dan op simulatiepatiënten. Je komt dan met meer verschillende mensen in aanraking en leert goed dat het ene lichaam het andere niet is. Bovendien worden studenten zich er zo van bewust hoe het is om een lichamelijk onderzoek te ondergaan en kunnen ze elkaar feedback geven.”
Geen concessies aan eindtermen
Studenten die moeite hebben met oefenen op elkaar, kunnen oefenen op iemand die ze kennen door zich samen in te schrijven voor een training, of specifiek bij een mannelijke of vrouwelijke docent, als die beschikbaar is. Met vragen kunnen ze terecht bij hun ‘skillscoach’ – een docent die studenten krijgen toegewezen, hun ontwikkeling volgt en hen uiteindelijk beoordeelt. Sinds 2019 is er bij het Skillslab ook een onafhankelijke ‘contactpersoon’ voor vragen en bezwaren. Van die optie wordt volgens Jongen spaarzaam gebruik gemaakt: “Een keer of vijf per jaar worden er met een student speciale afspraken gemaakt.”
Veel wil ze niet kwijt over de redenen, behalve dat ze “heel divers” zijn, van student tot student kunnen verschillen en dat “we er zolang ik hier zit, altijd uitgekomen zijn. Dat wil zeggen dat we een oplossing konden vinden die recht doet aan de student, het onderwijs én aan de eindtermen” – er worden, benadrukt ze, geen concessies gedaan aan wat een student moet kunnen.
"Communicatie kan beter"
Jongen is voorzitter van de werkgroep klinische vaardigheden van de Nederlandse Vereniging voor Medisch Onderwijs, die al voor de Nieuwsuur-uitzending werkte aan een landelijke leidraad over het vaardigheidsonderwijs. “Juist omdat er steeds vaker vragen kwamen over op elkaar oefenen.”
Voor de FHML verandert er met die in november gepubliceerde leidraad trouwens niet zoveel, zegt ze. “Wel kan de communicatie richting aankomende studenten beter: dat nog duidelijker is dat vaardigheidsonderwijs met oefenen op elkaar een integraal deel van de opleiding geneeskunde is, en dat we actieve deelname verwachten van alle studenten.”