Een keurig onderhouden witte gevel aan een keurig onderhouden deftige laan: wie in het centrum van Maastricht door de Grote Looiersstraat loopt, ziet niets terug van wat zich daar tachtig jaar geleden op nummer 17 afspeelde. Waar nu, naast de poort naar de fietsenstalling, medewerkers van de universiteitsbibliotheek rustig werken, verbleven toen politieke gevangenen: Maastrichtse mannen die tijdens de bezetting aan de verkeerde kant zouden hebben gestaan, en vrouwen die ervan verdacht werden met Duitse soldaten te hebben aangepapt – ‘moffenmeiden’ in de toenmalige volksmond.
"De arrestaties waren niet altijd terecht: dan had een vrouw alleen maar een Duitser de weg gewezen, of zei een buurman met wie je ruzie had dat je fout was geweest"
Ze waren na de bevrijding van de stad op 14 september 1944 in groten getale opgepakt. Alleen op die eerste dag al met honderden, zegt onderzoeker Erik van Rijsselt, die zich in de politiearchieven uit die tijd verdiepte. “Vaak waren die arrestaties terecht”, concludeert hij daaruit. “Maar niet altijd: dan had een vrouw alleen maar een Duitse soldaat de weg gewezen, of zei een buurman met wie je ruzie had uit wraak dat je fout was geweest.”
Terecht of niet, op open vrachtwagens werd men naar het politiebureau aan het Vrijthof gebracht, het huidige theater. De sfeer was grimmig. “De arrestanten werden onderweg bespuugd en beschimpt. De vrouwen werden kaalgeknipt of kregen een hakenkruis in het haar geschoren. We vermoeden dat het toenmalig Militair Gezag dat laatste zelfs aanmoedigde vanuit het idee dat het ergere mishandelingen zou voorkomen. Een volksgericht? Dat was het ja, mensen koelden hun woede over de bezetting op hen. Het was een chaos.”
"Heel erg primitief"
Die leidde al snel tot de vraag waar je al die gevangenen eigenlijk laat. Want het bureau was te klein voor de aanhoudende golf arrestanten, net als het huis van bewaring op de Minderbroedersberg, naast het huidige bestuursgebouw van de Universiteit Maastricht. Begin oktober ’44 arriveerden daarom de eerste gevangen in de Grote Looiersstraat 17, een voormalige militaire kazerne die leeg stond. ‘Kamp De Grote Looier’ was geboren, in een volgens Van Rijsselt totaal ongeschikt pand: “Het was verwaarloosd, had geen toiletten en er waren maar twaalf kranen – allemaal in het mannendeel, de vrouwen moesten zich behelpen met potten en pannen waarin ze ook hun eten moesten koken. Ook moest men op de grond slapen. Het was er heel erg primitief.”
En overbevolkt: er was ruimte voor 700 mensen, maar er zaten er tot wel 1400. Die hadden behalve onder de omstandigheden ook te lijden onder de bewakers. Sommigen waren corrupt, verduisterden bijvoorbeeld voedselpakketten, anderen konden de handen niet thuishouden. Aalmoezeniers en de kamparts trokken aan de bel over mishandelingen. Een van hen beschreef het beruchte ‘grammofoondraaien’, waarbij gevangenen met een vinger op de grond rondjes moesten lopen: “Dit schijnt een buitengewoon geschikt middel te zijn om iemand krankzinnig te maken, het was in de Duitse concentratiekampen verboden. Hier werd het meermalen toegepast.” Ook werden gevangenen gedwongen elkaar te slaan: “Gebeurt het niet hard genoeg, dan neemt de bewaker die taak over.”
"Op een gegeven moment moet je toch denken: wat zij deden, was niet goed, maar wat wij nu doen, is dat ook niet"
Blij met die kritiek was het bevoegd gezag niet; brieven en rapporten werden onder de pet gehouden. Tot dat niet meer ging: begin maart 1945 publiceerde advocaat Charles van Oppen over de misstanden in de lokale krant Veritas. “Dachau in Maastricht?”, luidde de kop boven het stuk dat aan duidelijkheid weinig te wensen overliet. Er volgde een onderzoek en de omstandigheden werden met en met beter, tot de laatste politieke gevangene in 1951 de deur van De Grote Looier achter zich dichtslaat.
Terugblikkend op wat zich daar afspeelde, schudt Van Rijsselt het hoofd: “Ik denk, net als Van Oppen trouwens, dat er veel mensen hebben gezeten die er gezien de lichte ernst van hun vergrijp niet thuishoorden. En de corruptie en mishandelingen waren schokkend. Natuurlijk zaten daar ook mensen die echt fout waren geweest, maar op een gegeven moment moet je toch denken: wat zij deden, was niet goed, maar wat wij nu doen, is dat ook niet. Van dat besef ben ik in mijn onderzoek helaas weinig tegengekomen. Ik krijg soms plaatsvervangende schaamte als ik zie wat er in die tijd in de stad is gebeurd.”
Erik van Rijsselt was ook te gast in onze podcast, luister 'm hier.