“Je hoeft niet aan te tonen dat de feiten niet kloppen, je hoeft ze alleen maar in twijfel te trekken. Dan verschuiven ze van het wetenschappelijke naar het publieke forum. In plaats van over de vraag ‘Wat gaan we aan het vastgestelde probleem doen?’, gaat het debat dan over de vraag of dat probleem er wel is.” Een rake beschrijving van corona-scepsis? Had gekund, maar daar heeft Giuliana Gentile het niet over. In een kamer in Tapijn 11 spreken we de Italiaanse promovendus over hoe olie- en gasmaatschappijen al decennialang het klimaatdebat en -beleid beïnvloeden.
Lange tijd was hun strategie: ontkennen dat het gebruik van fossiele brandstoffen (en de bijbehorende CO2-uitstoot) tot klimaatverandering leidt – ondanks dat de bedrijven zelf al zeker vijftig jaar op de hoogte zijn van dit feit, zegt Gentile. “De olie-industrie liet zelf een deel van de onderzoeken hiernaar doen en kent de gevolgen van haar daden dus. Maar men besloot bewust om die te negeren, vooral omwille van de winst.”
Totdat het bewijs voor klimaatverandering rond de eeuwwisseling zo sterk werd, dat ontkennen geen zin meer had. De oplossing: ruiterlijk erkennen dat klimaatverandering bestaat, maar, zegt Gentile, intussen alles doen om de overstap naar duurzame energie te vertragen. “Zo proberen ze relevant te blijven.”
Misleidend
Eerder dit jaar publiceerde ze er met de Amsterdamse duurzaamheidshoogleraar Joyeeta Gupta een artikel over in het blad Renewable & Sustainable Energy Reviews. Daarvoor deed ze literatuuronderzoek en hield ze alle duurzaamheidsrapporten die Shell sinds 2005 publiceerde tegen het licht. Het leest als een zwartboek van onderhandse technieken: lobbyen bij overheden, misinformatie verspreiden, mensen in dienst te nemen die werken voor de instanties die je zouden moeten controleren. En wetenschappelijke resultaten in twijfel trekken dus.
Oliemaatschappijen proberen zich te rechtvaardigen door zich groener en duurzamer voor te doen dan ze zijn. En dat, zegt Gentile, gebeurt soms heel subtiel. “BP veranderde zijn naam van ‘British Petroleum’ in ‘Beyond Petroleum’, dat geeft al een heel andere indruk. Shell is in zijn jaarverslagen het woord ‘olie’ steeds meer gaan vervangen door het neutraler klinkende ‘energie’. Of neem het Instagram-account: daar zie je vooral windturbines en zonnepanelen, waardoor je zou denken dat Shell veel met hernieuwbare energiebronnen bezig is. Terwijl slechts een paar procent van alle investeringen van dat bedrijf daar naartoe gaat. Dat is dus misleidend.”
Even misleidend is de nadruk op wat ze “techno-optimisme” noemt. “Dat is een bijna religieus geloof dat we niets aan de klimaatcrisis hoeven te doen, omdat er uiteindelijk een technologische oplossing voor gevonden zal worden. Intussen kunnen we dan gewoon fossiele brandstoffen blijven winnen en CO2 blijven uitstoten.” Maar technologische klimaatmaatregelen kunnen toch ook van waarde zijn? “Zeker”, beaamt ze, “maar denken dat technologie ons kan helpen, is wat anders dan ‘de techniek’ volledig verantwoordelijk maken voor de aanpak van de crisis, alsof we niets hoeven te veranderen.”
Verantwoordelijkheid afschuiven
In feite, zegt ze, proberen oliemaatschappijen hun verantwoordelijkheid af te schuiven, op consumenten en op overheden. “‘Onze klanten stoten veel meer CO2 uit als ze onze producten gebruiken, dan wij bij het maken ervan’, lees je dan. Of: ‘Het Internationaal Energieagentschap zegt dat regeringen hun beleid moeten veranderen, om te voorkomen dat er in de toekomst veel CO2 wordt uitgestoten.’ Kortom, iemand anders moet het echte werk doen. Ook consumenten trappen trouwens gemakkelijk in die valkuil: ‘Als de regering niets doet, doe ik ook niets.’ Dat is een natuurlijke reactie, het is eng om de realiteit van de klimaatcrisis onder ogen te zien. Maar bij een bedrijf is het ook een bewust besluit, en dat is veel erger omdat zij veel meer impact hebben.”
Blijft de vraag naar het waarom van de vertragingstactieken. Winst, klinkt het, en angst: “Klimaatmaatregelen bedreigen de bedrijven die de crisis veroorzaakten. Met deze strategieën proberen ze relevant te blijven.” Kwade wil dus? Gentile lacht. “Toen ik de Shell-rapporten begon te bekijken, was ik er volledig op gericht om de kwade bedoelingen te bewijzen van bedrijven die klimaatmaatregelen vertragen. Maar hoe meer ik erin dook, hoe meer ik besefte hoe hard ze proberen om het bestaansrecht van hun intrinsiek achterhaalde bedrijfstak aan te tonen. Ik kreeg bijna medelijden met ze. De realiteit van de klimaatcrisis beangstigt iederéén. Maar als je aan de wortels ervan staat, zijn maatregelen daartegen natuurlijk nog enger. Begrijp me goed, oliemaatschappijen staan niet op de rand van de afgrond, ze zijn nog steeds heel winstgevend. Maar ze weten dat er dingen veranderen – dat ze hun publieke imago manipuleren, bewijst dat. Ze zijn kwetsbaarder dan ooit.”