Een kamer van achttien vierkante meter met een gezamenlijke woonkamer, keuken en terras voor de prijs van 460 euro per maand. Het was 2022 en Bas (alle namen van studenten zijn gefingeerd, zij willen niet traceerbaar zijn voor hun vroegere huisbazen) kon zijn geluk niet op toen hij een plek in het dispuutshuis in de buurt van het Onze Lieve Vrouweplein had bemachtigd. Een huis dat al sinds 2011 ‘in handen’ was van zijn herendispuut. “De huisbaas had geen zin om steeds nieuwe huurders te zoeken, dus dat deden we zelf. Hij kwam twee keer per jaar langs om ons een handje te geven en liet dan weten blij te zijn met ons. We waren best netjes. Of mijn moeder dat ook vond? Nee, het lag eraan wanneer ze langskwam, soms was het een rommeltje, maar het was nooit vies.”
Aardige huisbaas
En toen werd het voorjaar 2024. De aardige huisbaas liet weten dat hij wilde gaan verbouwen, de studentenkamers moesten plaatsmaken voor zes zelfstandige studio’s. Huur: rond de 890 euro. De studenten mochten na de renovatie in zo’n studio trekken, tegen de verhoogde huur en zonder het hospiteerrecht. De huisbaas bood ook nog aan om mee te zoeken naar vervangende woonruimte. “De huisoudste hoorde dit via Whatsapp. We voelden ons in een hoek gedreven. Hij ging verbouwen, wij zouden in de rotzooi zitten, de huur werd veel te hoog en we mochten onze huisgenoten niet meer kiezen. Je wordt niet letterlijk gedwongen om te verkassen, maar we hadden weinig keuze.” Toen hij en zijn oud-huisgenoten verhaal gingen halen bij het Huurteam Zuid-Limburg – hier kunnen mensen met problemen over de huur of verhuurder terecht –, concludeerden de heren al snel dat ze “juridisch geen poot hadden om op te staan”, aldus Bas. “We hebben geen ruzie met de huisbaas gemaakt en zijn vertrokken.”
Oprotpremie
Robin Janssen, juridisch medewerker van het Huurteam Zuid-Limburg, kent deze casus niet en kan er daarom niets over zeggen. Ze wijst erop dat studenten vaak na de verhuizing bij hen aankloppen: “Achteraf is het heel moeilijk om iets te doen.” Zij roept alle studenten op om zich vooraf bij hen te melden. “Dan kunnen we vaak wel iets doen. Huurders hebben rechten.” Wie een contract voor onbepaalde tijd heeft, zoals Bas, kan niet zomaar het huis uit worden gezet. Integendeel, zegt Janssen: “Zelfs als het huis verkocht wordt, mag je er blijven wonen. Hetzelfde geldt in veel gevallen voor een renovatie. De verhuurder moet dan kunnen aantonen dat de huurder echt niet in het huis kan blijven wonen. Dat is lastig. Vaak betaalt de huisbaas daarom een ‘oprotpremie’, daar kun je over onderhandelen en het kan behoorlijk in de papieren lopen. Soms tot 10 of 20 duizend euro als je een zelfstandige woonruimte hebt, met eigen voordeur, badkamer en keuken.”
Wie een contract voor bepaalde tijd heeft, moet beseffen dat na afloop van dat contract er altijd op grond van de wet automatisch een voor onbepaalde tijd volgt. “Veel huurders weten dat niet en krijgen tot drie keer een overeenkomst voor bepaalde tijd. En dan denken ze dat ze het huis uit moeten. Als ze bij ons komen na de verhuizing kunnen wij niets meer doen omdat dan de huurovereenkomst is beëindigd.”
Stress
Anna en vier andere studenten hadden zo’n contract dat afliep op 1 juli 2024. Ze wisten dat er verkoopplannen waren, maar de kans was klein dat het ook daadwerkelijk zou gebeuren, hoorden ze van de eigenaar. Niet dus. In het voorjaar van 2024 hakte de huisbaas de knoop door en moesten de huisgenoten op zoek naar een nieuwe kamer. De stress was groot, niet in de laatste plaats omdat de meesten te ver van het ouderlijk huis wonen om daar tijdelijk te bivakkeren.
Hetzelfde verhaal gaat op voor Albert die met vijf dispuutsgenoten in de buurt van de Markt woonde. Na een jaar (kamer van 16 vierkante meter, gezamenlijke woonkamer en keuken voor 450 euro) kreeg hij te horen dat zijn huisbaas appartementen voor studenten met een ruimere beurs wilde bouwen. “Hij vond dat wij zijn huis vernielden, hij was er klaar mee. Er waren wel feesten, maar over het algemeen waren we netjes, ik wil zelf ook niet op een vuilnisbelt leven. Maar we moesten eruit.” Ze vonden allemaal weer een kamer, al moest een enkeling ter overbrugging weer een tijdje thuis gaan wonen.
Woningbouwvereniging
Het verhaal van Willem ligt net wat anders. Zijn huis van een woningbouwvereniging is al sinds 2002 ‘in handen’ van zijn dispuut. Jarenlang kozen ze zelf een nieuwe bewoner als er iemand vertrok, maar daar is nu een einde aangekomen. “Ik heb een contract voor onbepaalde tijd, mag hier ook blijven wonen, maar als ik vertrek komt er geen opvolger.” Op dit moment staat er al een kamer leeg, en wonen ze er nog maar met z’n tweetjes. Het is dus een kwestie van tijd voor ook dit dispuutshuis verdwijnt. De reden voor dit alles: een aantal bewoners van het vier verdiepingen tellende complex in de binnenstad zorgt voor overlast in de buurt en dat is de verhuurder zat. “Het gaat om een specifieke groep, wij hebben ook last van die studenten. Wij zijn ouderejaars, veroorzaken geen problemen, maar verliezen toch ons dispuutshuis. De kamers onder ons stonden al leeg, daar is de keuken opgeknapt en nu wonen er buitenlandse studenten. Een vriendin hoorde dat de woningbouwvereniging een ‘betere representatie van de studentenwereld’ in haar kamers wil.”
Bas: “Ik vind het jammer dat er steeds minder woonruimte komt voor de ‘normale’ Nederlandse student. Die duurdere appartementen zijn voor de internationale studenten, die hebben vaak meer geld dan wij. Nederlanders kiezen ook liever voor een studentenhuis dan een zelfstandige studio.”
Genoegdoening
Geen van de gedupeerde studenten vroeg of ontving een genoegdoening voor bijvoorbeeld de verhuiskosten en het ongemak. Robin Janssen van het Huurteam: “Er is vaak veel ruimte om iets te doen, maar dan moet je wel op tijd aan de bel trekken. Wij zien dat Nederlandse studenten zich veel minder vaak melden dan buitenlandse. Buitenlanders kunnen niet even naar huis of een beroep doen op hun ouders, Nederlanders meestal wel. Die ‘lossen’ het dan zelf op, ze zoeken een andere kamer terwijl dat wellicht niet had gehoeven.”