Aan de discussie over academische vrijheid wordt momenteel een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Daarin gaat het over de vrijheid om (internationaal) samen te werken met wie je wil. De discussie spitst zich toe op samenwerken met wetenschappers in landen met een slechte staat van dienst wat betreft democratie, mensenrechten of oorlogsmisdaden. Momenteel staat Israël in het brandpunt van de belangstelling. Maar we kunnen de lijst ook uitbreiden met andere landen, en met bedrijven die weigeren te verduurzamen of, zoals de tabaks- en olie-industrie, actief verwarring zaaien over wetenschappelijke bevindingen.
Pas recentelijk heeft de UM op dit punt beleid ontwikkeld, wat heeft geresulteerd in een Human Rights and Due Diligence (HRDD) toetsingskader. Teleurstelling is echter dat dit kader alleen betrekking heeft op strategische samenwerkingsverbanden op universiteitsniveau. De bestuurders lijken niet te willen tornen aan wat men ziet als de academische vrijheid van de medewerkers. Vermoedelijk vinden veel collega’s inderdaad dat de UM zich niet mag bemoeien met wie zij samenwerken. Een verwoording van dit standpunt was onlangs te lezen in de Observant-column van Wim Groot.
Deze terughoudendheid, en dit verzet, berusten echter op een verkeerd begrip van academische vrijheid. Academische vrijheid verschilt van vrijheid van meningsuiting omdat ze altijd gebonden is aan specifieke voorwaarden. Academici hebben weliswaar een grote mate van vrijheid om onderwerpen te kiezen, maar alleen onder voorwaarde dat de kennisverwerving het algemene belang dient, of daar in elk geval niet strijdig mee is. Wetenschappers zijn vrij om hun bevindingen te delen, maar op voorwaarde dat kennisclaims zorgvuldig en integer worden onderbouwd en zo worden gepresenteerd dat ze door anderen kunnen worden getoetst. Academische vrijheid is dus nooit absoluut geweest. Welke voorwaarden gelden dan voor de academische vrijheid om internationale partners te kiezen?
Kernwaarden
Wim Groots belangrijkste bedenking is dat de universiteit buitenlands beleid moet overlaten aan de democratisch gekozen regering. Dat argument gaat echter voorbij aan de eigen verantwoordelijkheid van universiteiten, die voortkomt uit hun missie: kennisverwerving ten behoeve van het algemene belang. Om aan dat algemene belang invulling te geven, formuleren universiteiten kernwaarden. Zo noemt het strategisch plan 2022-2026 van de UM rechtvaardigheid, duurzaamheid, gelijkheid en mensenrechten. De keuze om samen te werken met bepaalde partners mag daarmee niet in strijd zijn. Er is geen reden waarom dit wel zou gelden voor de UM, maar niet voor de daarmee verbonden individuele wetenschappers. De reikwijdte van het HRDD-toetsingskader dient daarom te worden uitgebreid.
Iemand zou kunnen tegenwerpen dat zoiets niet werkbaar is: als je die waarden serieus neemt, kun je met bijna niemand meer samen werken. Zo vraagt Groot zich af: waarom wel Israël uitsluiten maar niet China? Een reële vraag, maar waarschijnlijk retorisch bedoeld. Alsof je geen prioriteiten mag stellen bij het bestrijden van onrecht! De vraag moet dus luiden: is het te rechtvaardigen om ons eerst te richten op Israël? Een legitieme reden is dan dat Europese landen een bijzondere band hebben met Israël, en daarom – in de recente woorden van minister van Staat Herman Tjeenk Willink in NRC – naar dit land een bijzondere verantwoordelijkheid hebben.
Een andere reden is het acute en grootschalige karakter van de oorlogsmisdaden daar. Ongeacht of je het eens bent met deze redenen, wat telt is dat de academische vrijheid om samen te werken met zelfgekozen partners verbonden is met de verantwoordelijkheid om afwegingen zorgvuldig te toetsen en transparant te rechtvaardigen.
Bewijslast
Hetzelfde geldt voor samenwerking met partners in ‘verdachte’ landen vanuit de hoop dat dat juist onze kernwaarden kan bevorderen. In het geval van partners die zich verzetten tegen de tirannie in hun land kan dat inderdaad heel goed verdedigbaar zijn. Maar de bewijslast ligt ook hier bij de onderzoeker.
Wetenschappelijke samenwerking roept kortom ingewikkelde afwegingen op die niet afgewend kunnen worden met een beroep op academische vrijheid. Die is bedoeld om het gesprek te bevorderen, niet om het af te kappen. Daarom is het onjuist dat het HRDD-toetsingskader niet voor alle onderzoekers geldt die samenwerken met partners in verdachte landen.
Tot slot. Wim Groot waarschuwt dat de universiteit niet te ver voor de maatschappelijke troepen uit moet lopen, bijvoorbeeld met een boycot van Israël. Zie hoe in Amerika Trump losgaat op de universiteiten, en hoe in Nederland extreemrechts zoekt naar een aanleiding om de universiteiten te muilkorven. Toch moeten de universiteiten zich blijven inspannen om het bredere publiek te overtuigen dat onze kernwaarden niet links of rechts zijn, maar algemeen aanvaard. Universiteiten moeten niet buigen voor de dreiging met geweld. Het eerste advies van de befaamde historicus Timothy Snyder voor het verzet tegen autoritaire regimes luidt: Do not obey in advance.
Tsjalling Swierstra is hoogleraar filosofie, FASoS
Harro van Lente is hoogleraar Wetenschap- en Techniekstudies, FASoS