FNV-bestuurder Bernard Koekoek is er op voorhand niet gerust op. “Het is lastig, want als twee organisaties nu niet gelijkwaardig zijn, worden ze dat door een bestuurlijke integratie ook niet zomaar.” Ook over het consequente gebruik van de term ‘integratie’ is hij sceptisch. “Het is vooral een kwestie van marketing, juridisch is het verschil met ‘fusie’ niet zo groot. ‘Bestuurlijke integratie’ moet uitstralen ‘dat we dit allemaal samen doen en dat het allemaal heel positief is’. Zeg je ‘fusie’, dan klinkt daar toch in door dat beide partijen iets van hun identiteit moeten opgeven.”
Hoe dat ook zij, wil de kleinere partner in het samengaan niet overvleugeld worden, dan moet die “als het ware hekken zetten om die delen van de organisatie die niet mogen veranderen, de delen waar de nieuwe grote broer niet over zou moeten gaan”. En die grenzen vervolgens ook goed bewaken. Maar of dat in de praktijk realistisch is? Zijn ervaring met fusies van publieke instellingen stemt Koekoek waakzaam. “Ik geloof best dat het er een dag na het besluit gelijkwaardig aan toe gaat. Maar over een aantal jaar? Als er andere bestuurders zitten? Daar ligt onze zorg, dat de verhoudingen langzaam verschuiven.”
En het beoogde nieuwe vijfkoppige bestuurscollege dan? Dat moet immers unaniem besluiten gaan nemen, wat, zo is het idee, partijvorming langs oude lijnen zal voorkomen. De FNV’er grinnikt: “Laat ik dit zeggen: als je samengaat omdat je slagvaardiger wilt worden, dan is dit een ingewikkelde manier om dat te bereiken.” Komt het bestuurscollege er onderling niet uit, dan mag een nieuwe, gezamenlijke Raad van Toezicht de knoop doorhakken. “Natuurlijk is het goed dat die er is”, beaamt Koekoek, “maar als een dossier daar belandt, ben je eigenlijk al een brug te ver.” Dan is er, met andere woorden, echt iets misgegaan.
Terug naar de vragen