Ja, het is rond: Rianne Letschert vertrekt naar Den Haag

Rianne Letschert naast de koning die eind januari tijdens de 50e verjaardag van de UM zijn handtekening zette in een speciaal gastenboek

Ja, het is rond: Rianne Letschert vertrekt naar Den Haag

Hoeveel tijd Letschert nog neemt om haar zaken over te dragen, is onduidelijk

06-02-2026 · Nieuws

MAASTRICHT. Collegevoorzitter van de Universiteit Maastricht, Rianne Letschert, wordt de nieuwe minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) namens D66. Gisteren zong het bericht al rond in de media, maar toen wilde ze het zelf nog niet bevestigen. Vandaag heeft ze haar besluit genomen, laat ze weten. Ze vertrekt naar Den Haag.

Letschert maakte afgelopen december en januari al een ‘uitstapje’ naar het Binnenhof. Ze werd benoemd tot informateur en slaagde vrij vlot en soepel in haar opdracht. Onder haar leiding werd een minderheidskabinet van D66, VVD en CDA  een feit.

In september 2025 werd Letschert door de Raad van Toezicht van de Universiteit Maastricht nog benoemd voor een tweede termijn als collegevoorzitter. Het was toen al de vraag of ze de tijd (doorgaans vier jaar) ging volmaken. Ze maakte in kleine kring geen geheim van haar politieke ambities.
Ze was al eens eerder voor een ministerspost gevraagd, voor het vierde kabinet-Rutte (2022-2024), maar daarvoor had ze bedankt, vertelde ze vorig jaar in een interview aan de Limburger, omdat ze net bestuursvoorzitter van de UM was geworden en haar gezin prioriteit gaf. Bovendien, zo maakte zo duidelijk, moest het passen “op persoonlijk en professioneel vlak”. Het ministerschap noemde ze in diezelfde krant een hondenbaan, “geen erebaan”. Maar, zei ze ook, “als iedereen de ingewikkelde banen aan zich voorbij laat gaan, dan komen we niet verder.”

Nu krijgt ze een ministerspost die haar op het lijf is geschreven. De jurist (gespecialiseerd in internationaal recht en victimologie) heeft weliswaar geen ervaring als politicus op het Binnenhof, maar toonde er de afgelopen jaren wel veelvuldig haar gezicht. Als UM-bestuurder streed ze tegen de voorgenomen bezuinigingen en plannen om in het hele hoger onderwijs de internationale studenteninstroom en verengelsing een halt toe te roepen. Ze hamerde op het belang van maatwerk, zeker voor een ‘Europese universiteit als de UM’, die belangrijk is voor de regionale economische ontwikkeling. Letschert heeft daarnaast het Nationaal Groeifonds geleid (investeringen vanuit de overheid in projecten die economische groei op lange termijn waarborgen).

Bij haar aantreden als informateur kreeg ze tijdens een persconferentie de vraag of het een voordeel is dat ze geen politieke ervaring heeft. Letschert vermoedde van wel, “ik heb wat afstand”. Ook liet ze zich een paar keer ontvallen dat ze scherp is op de inhoud en warm op de relatie.
Namens de VVD wordt staatssecretaris Judith Tielen haar collega op het departement van OCW. Zij is momenteel staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in het demissionaire kabinet-Schoof.

Hoe snel Letschert kan beginnen als minister, is niet duidelijk. Ze zal haar taken als collegevoorzitter in Maastricht moeten overdragen aan de andere bestuurders, rector Pamela Habibovic en vicevoorzitter Jan-Tjitte Meindersma.
Of er een vacature verschijnt, is ook maar de vraag. De integratieplannen tussen universiteit en ziekenhuis zijn onlangs openbaar gemaakt. Daarin is officieel geen ‘plek’ meer voor een collegevoorzitter. Het toekomstige vijfkoppige bestuurscollege van UM/MUMC+ zou in de nieuwe structuur moeten worden geleid door zowel de baas van het ziekenhuis als de rector. Deze maand worden de plannen besproken door verschillende medezeggenschapsorganen. Er is nog veel onduidelijk en “het is nog lang geen uitgemaakte zaak dat de U-raad zal instemmen”, aldus Teun Dekker, voorzitter van deze raad, eerder in Observant.
Het integratiedossier was voor Letschert een belangrijke klus waar ze samen met haar collega van het MUMC+, Helen Mertens, al sinds juni 2023 aan trok.

Auteur: Wendy Degens

Foto: Philip Driessen

Tags: rianne letschert, minister, d66, kabinet, ocw, onderwijs, integratie, MUMC, informateur,instagramNL

Reacties

Henk Reinsma

Letschert is nu — letterlijk — bij machte om richting te geven aan de internationalisering van het hoger onderwijs. De vraag is niet óf het universitair onderwijs internationaal moet zijn. Dat was het al lang. In tijden van geopolitieke spanningen en grote tekorten in technische en exacte kennissectoren krijgt internationalisering bovendien steeds meer een strategisch-politieke betekenis.

Nee, de vraag is niet of, maar vanuit welke waarden het hoger onderwijs internationaal wordt. Of anders gezegd: wat voor soort internationalisering is vanuit publiek oogpunt wenselijk?

Wat mij betreft kan internationalisering alleen houdbaar zijn wanneer zij evenwichtig is. Dat betekent: gestoeld op een kosmopolitische waardering van meerdere talen en culturen (zoals benadrukt door René Gabriels in de Observant), op doelmatigheid, en op verbondenheid met de samenleving. Juist die balans is de afgelopen jaren verloren gegaan.

Talen en culturen in meervoud

Er is weinig internationaals aan het vrijwel exclusief hanteren van het Engels als onderwijstaal aan universiteiten. Internationalisering wordt te vaak gelijkgesteld aan verengelsing. Maar internationaal, in kosmopolitische zin, betekent niet één taal, één cultuur, één perspectief. Het betekent juist: ruimte voor verschil.

In grensregio’s is dat eigenlijk vanzelfsprekend. Daar wordt, naast het Nederlands en regionale streektalen, in het dagelijks leven vooral Duits en Frans gesproken — onze directe buurtalen. Toch zien we dat universiteiten die zich nadrukkelijk “regionaal verankerd” noemen, deze meertaligheid nauwelijks weerspiegelen in hun onderwijstaal. Dat is een gemiste kans.

Vooral in de geesteswetenschappen wringt dit. Veel fundamentele bronteksten in deze disciplines zijn geschreven in het Duits en Frans, terwijl deze talen steeds verder uit het curriculum verdwijnen. Meertaligheid betekent bovendien niet alleen aandacht voor andere talen, maar óók een serieuze en volwaardige plaats voor het Nederlands als academische onderwijstaal. Dat is iets anders dan het aanbieden van cursussen als Social Dutch of academisch schrijven in het Nederlands naast een verder volledig Engelstalig curriculum — hoe waardevol zulke cursussen op zichzelf ook zijn.

Een doorgeschoten verengelsing leidt tot verschraling. Van het talenaanbod. Van het Nederlands. Van perspectieven. Het resultaat is een monocultureel en monolinguïstisch onderwijsaanbod — volledig in het Engels — dat zich wel internationaal en open noemt, maar zich in feite steeds verder loszingt van de maatschappelijke omgeving. Manuel Castells sprak in dit verband over "Spaces of Flows": ruimten die boven samenlevingen circuleren, zonder er werkelijk in geworteld te zijn.

Doelmatigheid

De financiering van internationalisering is geen technisch-boekhoudkundige kwestie. Er liggen maatschappelijke keuzes aan ten grondslag die wat kosten. De opleiding van internationale studenten wordt betaald uit publieke middelen. Ook studiefinanciering en voorzieningen komen — onder voorwaarden — ten laste van de belastingbetaler. Dat vraagt om een doelmatige besteding van middelen.

Of internationalisering doelmatig is, hangt af van concrete factoren: tekorten op de arbeidsmarkt, de ligging van de instelling, het blijfpercentage van internationale studenten en de aard van het vakgebied. In sectoren met grote personeelstekorten — informatica, techniek, AI, biochemie — is het begrijpelijk dat Engels vaker als onderwijstaal wordt ingezet en dat actief internationaal wordt geworven. Dat geldt temeer voor regio’s met een sterk internationale arbeidsmarkt.

Maar die redenering gaat niet overal op. In veel exacte en technische wetenschappen zijn opleidingen minder taal- en cultuurgebonden en wordt gewerkt met formele, gestandaardiseerde talen. In de sociale en geesteswetenschappen ligt dat fundamenteel anders. Deze opleidingen zijn nauw verweven met taal, cultuur en samenleving. Tegelijkertijd is juist daar het stay-rate van internationale studenten laag. Het publieke rendement is dus beperkt.

Doelmatigheid vraagt daarom om differentiatie. Niet om één uniform model van “alles in het Engels” dat over alle disciplines wordt uitgerold.

Verbondenheid met de samenleving

Universiteiten zijn knooppunten in internationale kennisnetwerken. Maar ze zijn óók publieke instellingen, ingebed in een nationale samenleving. Voor die maatschappelijke en culturele functie is onderwijs in de landstaal van cruciaal belang.

Onderwijs in het Nederlands maakt het mogelijk dat academische kennis doorstroomt naar sectoren waar Nederlands de voertaal is: onderwijs, musea, zorg, archieven, rechtspraak, bestuur, journalistiek en bibliotheken. Het academisch Nederlands dat daar nodig is, kan alleen aan universiteiten op hoog niveau worden ontwikkeld en geoefend.

Dat is geen luxe. Het is noodzaak. De Nederlandse taalvaardigheid staat al jaren onder druk. Sinds 2009 is sprake van een drastische achteruitgang — niet alleen onder 15-jarigen, van wie inmiddels circa een derde functioneel analfabeet is, maar ook onder studenten. Docenten signaleren dat studenten steeds meer moeite hebben met schrijven van tentamens en zelfs e-mails. Het toenemende gebruik van AI versterkt dit probleem nog eens.

Onderwijs in het Nederlands draagt bovendien bij aan toegankelijkheid. De "Inspectie van het Onderwijs" wees er recent op dat studenten uit lagere sociaal-economische milieus Engels als onderwijstaal vaak ervaren als een extra drempel. Internationalisering mag geen verkapt selectie-instrument worden.

Met een doorgeschoten verengelsing dreigt bovendien wat Miranda Fricker "epistemische onrechtvaardigheid" noemt. Studenten die vaardig zijn in de dominante academische onderwijstaal — tegenwoordig het Engels — en zich daar comfortabel bij voelen, genieten een duidelijk epistemisch voordeel. Studenten die minder vertrouwd zijn met het Engels of de voorkeur geven aan het Nederlands, worden structureel beperkt in hun mogelijkheden om deel te nemen, te begrijpen en zich uit te drukken.

Daarnaast raakt verengelsing ook de inhoud. Opleidingen die volledig overstappen op het Engels schrappen vaak niet-Engelstalige bronteksten en nationale thema’s om aantrekkelijker te worden voor internationale studenten. Zo verdwijnen Nederlandse cultuur, geschiedenis en maatschappelijke vraagstukken langzaam uit onderwijs en onderzoek.

De financiële prikkel

Deze ontwikkeling wordt versterkt door het bekostigingssysteem. Zolang financiering primair afhankelijk is van studentenaantallen, fungeert Engelstalig onderwijs als compensatiestrategie voor demografische krimp. Meer Engels betekent meer internationale studenten. Het systeem beloont verengelsing.

Wie werkelijk balans wil, zal ook hier moeten ingrijpen. Een grotere "vaste voet" in de financiering kan deze perverse prikkel verminderen.

Nederland als uitzondering

Dat het anders kan, blijkt uit een internationale vergelijking. In geen enkel Europees land heeft de landstaal in het universitair onderwijs zoveel terrein prijsgegeven aan het Engels als in Nederland. Elders is aandacht voor nationale taal en cultuur vanzelfsprekend. Hier moet zij telkens opnieuw worden bevochten.

Zelfs in landen die sterk op Nederland lijken, zoals België, is de verengelsing minder ver doorgevoerd. De KU Leuven laat zien dat een uitgesproken internationale oriëntatie en internationale erkenning uitstekend kunnen samengaan met het behoud van het Nederlands in het bacheloronderwijs.

Het uitgeklede wetsvoorstel

Het debat over internationalisering in balans speelt al jaren. Minister Dijkgraaf werkte langdurig aan een zorgvuldig wetsvoorstel, in overleg met deskundigen, parlement en samenleving. Het voorstel werd meerdere keren aangepast, maar behield zijn kern.

Die kern is de afgelopen maanden verdwenen. Eerst door uitzonderingen voor grensregio’s. Daarna door het schrappen van de Toets "Anderstalig Onderwijs" voor bestaande opleidingen. En nu zelfs voor nieuwe opleidingen. Wat resteert, is nauwelijks meer dan het voorblad en het nietje.

Het argument is bekend: Nederland moet in een geopolitiek onzekere tijd internationaal talent aantrekken voor strategische sectoren. Lees het rapport-Wennink. Dat belang staat niet ter discussie, ook al is het misschien wat al te nadrukkelijk ingebracht door bedrijven en banken. Hoe het ook zij: het strategisch belang van internationalisering betekent niet dat zij los kan worden gezien van andere publieke waarden, zoals diversiteit (van talen en culturen), doelmatigheid en verbondenheid met de samenleving. Internationalisering vraagt om afweging. Om balans. Dat heeft Dijkgraaf scherp gezien.

Van het wetsvoorstel is weinig over. Maar het debat blijft. De problemen die aan het debat ten grondslag liggen, zijn immers niet opgelost. Lees "good old" Habermas er nog maar eens op na. Overheid en economie beschikken over macht en geld voor strategische manoeuvres. Het publieke debat beschikt over taal, gericht op communicatief begrip. En die taal zal zich blijven uitspreken. Daar is geen procesbegeleider voor nodig.

Voeg reactie toe

Klik hier voor onze privacyregels

Vanaf januari 2022 plaatst Observant alleen nog reacties van mensen wier naam bekend is bij de redactie.