Zo is het nauwelijks nog voor te stellen dat het bij Circumflex – vandaag de dag een vereniging met traditioneel karakter, inclusief ontgroeningen en biercantussen – ooit voornamelijk draaide om poëzie- en filmavonden. De eerste leden kwamen in 1971 immers van de kunstopleidingen, waaronder de Toneel- en Kunstacademie, het Conservatorium en de Jan van Eyck Academie. Dat veranderde toen in 1974 de eerste geneeskundestudenten op het Maastrichtse toneel verschenen. “We streefden naar een brede ledenpopulatie; voor iedereen een plek, dat was de filosofie”, blikte Sjef Tilly, voorzitter van het eerste bestuur (“een groepje idealisten”), later terug in Observant. De Vereniging der Vijf Kunstinstituten werd omgedoopt tot Circumflex. “Vanwege accent circonflexe, het dakje, dat staat voor overkoepelend.” Het ledenaantal groeide al snel naar zes- tot zevenhonderd. “Er was toen weinig voor studenten.”
"Klinkt als een aapje"
Daar kwam echter snel verandering in met de officiële oprichting van de universiteit in 1976. Die kreeg een Koördinatie Kommissie, weldra afgekort tot KoKo, waarin actieve studenten over allerlei zaken aan de jonge instelling mochten meebeslissen – denk aan het kantineassortiment – maar die ook feesten organiseerde. In 1978 ging men op eigen benen staan, mede dankzij de komst van een eigen pand. De door het eerste bestuur voorgestelde naamswijziging naar Diogenes bleef achterwege – de naam KoKo was inmiddels al te zeer ingeburgerd. “Al vonden we het een vreselijke naam, het leek wel een aapje”, gaf eerste voorzitter Paul Zwietering jaren later toe in deze krant. Van rivaliteit was aanvankelijk weinig sprake, “de meeste mensen waren ook lid van Circumflex”. Het vinden van een eigen identiteit bleek echter niet makkelijk. “We wilden absoluut geen ballenclub worden”, aldus Zwietering. “Toen er andere faculteiten in Maastricht kwamen, hebben we daar discussies over gevoerd. Een rechten- of economiestudent is toch anders dan een geneeskundestudent.”
Behoefte aan tradities
Niet iedereen dacht daar hetzelfde over. Marcel Herpers – aanvankelijk KoKo-lid en uitgerekend een geneeskundestudent – miste iets, vond “de verenigingen los zand” en had “behoefte aan continuïteit, tradities, een sociëteit die als een tweede huis voelde”. In 1981 richtte hij Tragos op, in eerste instantie als Heerensociëteit, geïnspireerd op bestaande corporale verenigingen elders in het land. Het werd een succes, en dat bleef niet onopgemerkt bij Circumflex. “Halverwege de jaren tachtig droeg hun voorzitter opeens geen geitenwollensokken meer, maar verscheen in driedelig pak”, aldus Herpers in 2001, bij het 25-jarig jubileum van de universiteit, in Observant. In diezelfde editie gaf het toenmalige Circumflex-bestuur een iets andere verklaring voor het inslaan van een meer traditionele koers: begin jaren tachtig had de vereniging geen pand, waardoor “de harde kern behoefte had aan meer hechtheid, tradities”.
Astronaut in vliegtuigje
Intussen groeide ook de interesse voor een sportvereniging voor studenten. Die kwam er in 1983 met de oprichting van roeiclub Saurus, hoewel er toen “eigenlijk niemand ervaring had met roeien”, herinnerde secretaris van het eerste officiële bestuur, Hera Lichtenbeld, zich in 2001. “De boten waren vaak tweedehands en gekocht voor een habbekrats of geschonken (…).” Om de bekendheid in roeiend Nederland te vergroten, trok het bestuur in een witte Lada door het land. Dat er “bij ons relatief veel vrouwen zaten, viel erg goed bij de andere verenigingen, die overwegend uit mannen bestonden”. In mei 1985 trokken die in groten getale naar Maastricht voor de opening van de eigen loods van Saurus door astronaut en fervent roeier Wubbo Ockels – die vanuit een vliegtuigje de sleutel aan een parachute naar beneden wierp – wat de vereniging definitief op de kaart zette. Mede doordat er naast de sport ook steeds meer aandacht kwam voor het gezelligheidsaspect, voegde Saurus zich uiteindelijk bij de ‘grote vier’ Maastrichtse studentenverenigingen.