Hoe je de giftige werksfeer op de ziekenhuiswerkvloer voorkomt

Hoe je de giftige werksfeer op de ziekenhuiswerkvloer voorkomt

Sociale vaardigheden arts net zo belangrijk als medisch-inhoudelijke expertise

16-04-2026 · Achtergrond

Onderling wantrouwen, sociale onveiligheid, geen ruimte voor kritiek: het rapport over de cultuur in het MUMC+ loog er eind vorig jaar niet om. Kun je zo’n giftige sfeer op de ziekenhuiswerkvloer voorkomen? Ja, zegt intensivist en hoogleraar professioneel gedrag Walther van Mook, maar het is een werk van de lange adem: “Met beter selecteren van studenten, specialisten-in-opleiding, specialisten en leidinggevenden haal je de meeste rotte appels eruit. Zo pak je uiteindelijk ook dat cultuurprobleem aan.”

De eerste reflex als een organisatie een leidinggevende arts zoekt, zegt Van Mook (tevens lid van de commissie professioneel gedrag van de faculteit Health, Medicine and Life sciences), is kijken of een kandidaat medisch-inhoudelijk goed is, door bijvoorbeeld de publicatielijst erbij te pakken. Dat zegt echter niets over diens leidinggevende capaciteiten, of die nieuwe specialisten kan opleiden of in de praktijk een goede specialist zal zijn.

Daar komen andere vaardigheden bij kijken: houdt iemand zich aan afspraken, kan diegene luisteren, zich in anderen verplaatsen, goed communiceren en op het eigen handelen reflecteren? Professioneel gedrag, kortom. Van Mook: “Voor het slagen van een arts op de arbeidsmarkt is dat net zo belangrijk als diens medische vaardigheden. Ik heb onderzoek gedaan bij klachtencommissies en heb zitting in een regionaal tuchtcollege. Formele klachten gaan bijna altijd over dat soort niet-medische zaken. Je krijgt over het algemeen niet zomaar een klacht aan je broek als je patiënten, collega’s en andere zorgprofessionals goed behandelt.”

Rolmodellen

Dus zou er (mede) op niet-medische vaardigheden, de zogeheten ‘generieke competenties’, geselecteerd moeten worden, vindt de hoogleraar. Dat geldt ook voor afdelingshoofden en opleiders, die “rolmodellen” moeten zijn voor hun specialisten-in-spe. “Daar hoort bijvoorbeeld ook bij dat je het erkent als je een fout hebt gemaakt, een verkeerd besluit hebt genomen of onredelijk was omdat je maar vier uur geslapen had.”

Maar het geldt misschien ook voor studenten en artsen in opleiding tot specialist. Opleidingsplekken worden nu vooral vergeven op basis van het cv, zegt Van Mook: hoe goed zijn de cijfers? Welke stages liep de sollicitant? Wie specialist wil worden, weet dat en probeert dus al vroeg in de studie een goed cv op te bouwen. Het heeft wat van een ratrace. “Daarbij zijn ze allemaal heel competitief en vaak erg perfectionistisch”, ziet Van Mook. “Dat is op zich goed, maar altijd maar naar het hoogste niveau streven, kan ook leiden tot burn-out-achtige klachten. En uit de literatuur weten we dat wie zulke klachten heeft, vaker onprofessioneel gedrag vertoont. Als werk en privé niet in balans zijn, lijdt uiteindelijk ook het werk daaronder. Misschien – en ik zeg het voorzichtig – moeten we opleidingsplaatsen geneeskunde wel weer gaan toewijzen door ze onder de sollicitanten te verloten? Dat zou wellicht een deel van dit probleem, ook in de vervolgopleidingen, kunnen ondervangen.”

Bijsturen

Het goede nieuws is volgens Van Mook dat veruit de meeste mensen professioneel gedrag en generieke competenties kunnen leren. Opleiders in het MUMC+ krijgen verplichte scholing op dit vlak. Ook de specialisten-in-spe krijgen er onderwijs in. “Verder bieden we hen coaching en intervisie aan. Bij de meeste vakgroepen krijgen artsen-in-opleiding een mentor met wie ze problemen laagdrempelig kunnen bespreken. En ze houden verplicht een portfolio bij, dat ook als reflectie-instrument met de opleider wordt besproken.”

En als er toch problemen zijn? “Meestal zijn die met een informeel gesprek op te lossen, soms is een formeel traject nodig. Onprofessioneel gedrag is bij het gros van de mensen bij te sturen.” In een heel enkel geval lukt dat niet. “Dan moet je duidelijk zijn. Als iemand bij herhaling anderen kleineert, zich onprofessioneel gedraagt en niet wil of kan veranderen, moet dat gevolgen hebben, ook als het de patiëntenzorg niet direct raakt. Dan moet zo iemand hier wat mij betreft geen carrière kunnen maken. Onprofessioneel gedrag is niet alleen hinderlijk maar ook indirect schadelijk voor de kwaliteit van zorg.”

Leerpunt

Dat is nog wel een leerpunt, zegt hij: de meeste mensen binden de kat niet graag de bel aan, hebben geen zin in gedoe. “We hebben allemaal de neiging om een genadezesje te geven. Maar als je een probleem ziet en het niet meldt, wordt een eventueel patroon nooit duidelijk. Dit is bekend uit de literatuur en uit de praktijk, en het is niet oké.”

En de faculteit Health, Medicine and Life sciences (FHML), wat kan die doen? Moet er in de opleiding geneeskunde iets aan het onderwijs veranderen? Niet direct, oordeelt Van Mook, de FHML heeft volgens hem al jaren veel aandacht voor professioneel gedrag: “Er loopt een leerlijn professionele ontwikkeling door het hele curriculum, studenten worden bewust gemaakt van het belang van professioneel gedrag, bijvoorbeeld in relatie tot sociale media, privacy en integriteit. Ze leren erover, kunnen hun vaardigheden op dit vlak ontwikkelen. Dat doet de faculteit heel netjes.”