Eén van de grootste uitdagingen – nee, de grootste – voor mij als wetenschapper is toch wel mijn mailbox. Niet het grensverleggen in onderwijs. Niet het baanbreken in onderzoek. Niet het dienstverlenen in de maatschappij. Nee…mailtjes. Jezus, wat een klus is dat. Op sommige dagen lijkt mijn postvak wel Hydra, het meerkoppige monster waartegen Herakles vocht; voor elke mail die ik weghak, krijg ik er minstens twee terug. En dan heb ik het niet eens over de mailtjes die openen met “greetings of the day” of de reclames voor erectiebevorderende middelen – de nieuwe spamfilter ten spijt. Juist niet. Ik heb het over ‘bloedserieuze’ mails die blijkbaar een onmiddellijk antwoord vereisen.
Gisteren was weer zo’n dag. Het ene antwoord was de deur nog niet uit of er stonden alweer zes nieuwe berichten voor in de plaats – sommige met zo’n rood uitroeptekentje ernaast. En toen, plots, schoot me de oplossing te binnen: geen inbox, geen mail, geen stress! Waarom heb en beheer ik eigenlijk een UM-mailadres? Ik heb toch een kantoor? Is het hebben van zo’n e-mailadres sowieso niet eerder een recht dan een plicht? Ik heb effe gecheckt: in mijn arbeidscontract of in de zo snel gevonden UM-beleidsstukken staat nergens dat het bijhouden van een digitale brievenbus tot het takenpakket van een UD zou horen. En toch lijken we het allemaal maar zo vanzelfsprekend te vinden dat we zo’n ding hebben en dat we op alles (snel) moeten antwoorden.
Kijk, ik kan natuurlijk niet voor iedereen spreken. Er zullen vast mensen zijn die heel gestructureerd, opgeruimd en consciëntieus hun mailbox beheren. Als jij zo iemand bent, good for you, al vind ik je een beetje eng. Mij brengt die inbox alleen maar onrust en ellende.
Dus per vandaag sluit ik mijn UM-mailadres. Zo houd ik meer tijd over voor de taken die ertoe doen, zoals onderzoek en onderwijs. Heb je een vraag, dan ben ik bereikbaar op mijn kamer of in de wandelgangen.
Al realiseer ik me wel, nu ik dit schrijf, dat ik dan mijn antwoord “zet ’t me even op mail” om er vervolgens helemaal niks mee te doen wel heel erg ga missen.
Thomas Frissen, universitair docent Digital Technology and Society (FASoS)