Toeval of niet, vorige week promoveerde Jaap Cohen, zoon van oud UM-rector Job Cohen, in Amsterdam cum laude op de geschiedenis van een Portugees-Joodse familie. Het gaat over de familie van prof. mr. Hans-Ulrich Jessurun d’Oliveira, de inmiddels 82-jarige jurist, die de jonge René de Groot – al weer jaren hoogleraar rechtsvergelijking en internationaal privaatrecht in Maastricht - leerde om kritisch naar het recht te kijken. “Hij gaf rechtsfilosofie en rechtsvergelijking in Groningen. Zijn devies aan de studenten was: kijk niet alleen hoe de regels in elkaar zitten en hoe de Hoge Raad ermee omgaat. Vraag je ook altijd af of je het met de regels eens bent en denk na over hoe de regels zouden moeten zijn.” Met een brede glimlach herinnert De Groot zich het college rechtsvergelijking dat met een volle zaal begon. Toen bleek dat de verplichte literatuur deels uit een Franstalig boek bestond, bleven er al snel nog maar twee studenten over. “Na een tijdje viel die ene ook nog af en kreeg ik privéles.”
Zelf nadenken, en zeker niet je normen en waarden willen opleggen aan de maatschappij. Dat was de tweede wijze les van de man die hij bijna liefkozend “Ulli” noemt: “Heb respect voor anderen.” Inmiddels is zijn leermeester een sparringpartner (en vriend) geworden als het gaat om het nationaliteitsrecht, De Groots specialisatie. “We zijn er beiden zeer in geïnteresseerd en voortdurend met elkaar in debat: hoe moet dit recht zich in de wereld ontwikkelen?”
Jessurun d’Oliveira is niet bepaald een grijze muis, grinnikt De Groot. “Hij was en is heel flamboyant. Ik zal het nooit vergeten, hij was net tot hoogleraar benoemd. Ik zat in de bieb toen een medestudent me aantikte: kijk, daar is de nieuwe professor. Oranje pak, Afghaanse ketting, dat waren we niet gewend in het Groningen van 1971.” Jaren later, tijdens De Groots promotie aan de UM, verscheen Jessurun d’Oliveira, die op dat moment in Florence werkte, in een Maastrichts toga. “Had hij geleend. Maar de bijpassende baret zette hij niet op. In plaats daarvan liep hij de aula in met een Borsalino op zijn hoofd.” Zelf staat De Groot te boek als de professor in cape en baret: “Misschien lijken we toch op elkaar.”
Op een punt kan hij zijn leermeester niet evenaren, vindt De Groot. “Hij heeft een buitengewoon mooie schrijfstijl, het is een genot om zijn werk te lezen. Hij is ook bekend als literator, heeft gedichten gepubliceerd, recensies geschreven. Hij laat zien dat je als jurist niet gortdroog hoeft te schrijven. Ik heb daar veel van geleerd, al zijn mijn epistels toch saai ten opzichte van die van Ulli.” Hoe mooi ook zijn schrijfstijl, zijn soms klinkklare spreektaal deed menig Gronings student versteld staan. De Groot, weer lachend: “ Dan zei Ulli: ‘Volgens mij verneukt de Hoge Raad hier de zaak’.”