De deurbel van Achter de Molens 6 klinkt amechtig, de gordijnen van de grote winkelpui zijn dicht, de ruit lijkt al een tijd niet meer gewassen, de voordeur kan wel een likje verf gebruiken. Er wordt niet opengedaan. Is dit huis wel bewoond? Ja hoor, verzekert een student uit een buurhuis. “Er hangt toch een poster van een pelikaan voor het raam? Dat is het Pisi Paleis.” Na een flinke hengst aan de bel, doen Koen van Delft, laatstejaars International Business, en huishond Bink, een herderachtige hond uit een Heerlens asiel, de deur open.
Geen stapels papier of andere rotzooi in de gang, ook de huiskamer oogt netjes. Uit de wc beneden – “dat is het urinoir, dat poetsen we bijna nooit. Ik heb voor u de wc boven schoongemaakt, mevrouw”, zegt Chömpff beleefd – stijgt een zware parfumlucht op. Een schoonmaakrooster hebben de heren niet. Overbodig, aldus Tim de Vries, die zijn studie Economics een jaar heeft verruild voor het Circumflexbestuur. Ze spreken elkaar er wel op aan, niet omzichtig, maar zonder omhaal. Zoals vorige week zondag, toen Van Delft na een rustig weekend bij zijn ouders terechtkwam in een “teringzooi”. De rest was uit zijn dak gegaan tijdens het Us Leef Vruike Hockeytoernooi en had de boel de boel gelaten. “Koen bleef chagrijnig kijken tot wij gingen opruimen”, aldus huisoudste Ruben Bekkenutte, die zijn studie (pabo) een jaar heeft stopgezet en werkt bij het WaterschapsBedrijf Limburg. En als Leon Koldijk – tweedejaars European Studies en volgens een grinnikende Bekkenutte “de smerigste vent van het huis” - zijn vuile slips weer eens in de badkamer laat slingeren en het natte douchematje laat liggen, hoeft hij niet bang te zijn dat dat onbesproken blijft.
Het ‘Pisi Paleis Achter den Pelikaen’ (de pelikaan is het symbool van het herendispuut: grote bek, veel inhoud) kent maar één rooster en dat is het uitlaatschema van huishond Bink. Vier keer per dag, de eerste keer voor negen uur ’s ochtends, de vierde keer door degene die als laatste zijn nest induikt. Soms duikt de goed in zijn vel zittende Bink ook het bed in, vertelt Chömpff. “Als je heel erg dronken bent, zoek je wat aanhankelijkheid.” In de woonkamer hangen boven de foto’s van de twaalf oud-bewoners, het portret en de riem van Bo, de eerste huishond die tot groot verdriet van zijn baasjes in 2009 aan de gevolgen van een hernia is overleden. “We hebben hem laten cremeren en met al zijn oud-baasjes de as uitgestrooid op de Sint Pieter, zijn favoriete uitlaatplek”, vertellen Van Delft en Bastiaan Vlietstra, laatstejaars commercieel management aan de Hogeschool Zuyd. Van Delft: “Bo’s laatste nacht bij ons, vóór hij een spuitje kreeg, was een van de vreselijkste nachten van mijn leven. Ik heb moeten janken.”
Warm bad
Op de binnenplaats staat een grote eettafel met twee banken, één muur is bekleed met lege kratjes bier. “Dat zijn er 64. Opgedronken sinds februari, niet door ons huis alleen, maar door het hele dispuut. Pisimopsantee - het betekent schijthuis - heeft vijftien leden”, vertelt Bekkenutte die naar de keuken loopt. Na een jaar wordt het statiegeld geïnd en die euro’s – “dit jaar waren dat er 600” - besteden de heren aan de aankleding van het driedaagse In Mosae feest van hun vereniging Circumflex. “We hebben al twee keer gewonnen en waren een keer tweede.” Hij trekt de oven open en controleert of de twee kippetjes al gaar zijn. Twee grote salades met feta en spekjes staan al op tafel, de gebakken aardappeltjes zijn goed, de eerste fles wijn is leeg.
“Pak jij nog een fles voor ons”, vraagt Van Delft aan Koldijk die naast hem zit.
“Nee, jij zit dichterbij”, reageert Koldijk. Dan kijken ze allebei naar de overkant van de tafel, waar huisjongste Chömpff zit. Ze kijken hem indringend aan. Chömpff staat op en haalt een nieuwe fles. “We trekken de anciënniteitkaart”, leggen ze hun gast uit. Van Delft: “Wilt u nog een glaasje water, mevrouw?” Tegen Bink die een grommend geluid maakt: “Rustig, af.”
Bekkenutte is de man die vandaag het vlees snijdt en verdeelt, Vlietstra husselt de salades door elkaar en Koldijk schept de aardappeltjes op. De rustige Vlietstra is volgens de rest de “stabiele factor in huis”. Maar hij kan niet autorijden”, voegt Chömpff eraan toe. “Zet u dat niet in Observant”, vraagt Vlietstra quasi-zielig. “Dan word ik gepest, ik ben al drie keer gezakt.” Hoe kan dat? “Hij kan niet in een auto met zijn 1,96”, meent Koldijk.
Grappen genoeg, toch vallen een aantal Pisi-clichés deze avond langzaam maar zeker aan diggelen. Ze lezen geen Telegraaf, maar hebben een abonnement op de NRC én de Volkskrant. De pelikaan met zijn grote bek mag dan wel het symbool van Pisimopsantee zijn, maar het gebral en geschreeuw tonen ze toch voornamelijk op de kroeg. Thuis zijn we “normaal”, verklaren Bekkenutte en Van Delft. En normaal voelt vanavond aan als een warm gezellig bad, met zes welopgevoede jongens die veel oog hebben voor elkaar. Zijn er problemen - met familie, studie, relatie – dan wordt daar over gepraat. “Het is een cliché, maar we delen echt alles, we weten alles van elkaar”, zegt Vlietstra. Laat iemand zijn studie versloffen, dan komt die daar niet mee weg. Drinkt een huisgenoot te veel, dan krijgt die dat te horen. Moet iemand vroeg naar de onderwijsgroep, dan is er altijd wel een huisgenoot die een ram op de deur wil geven. Koldijk hangt zelfs een briefje op met de tijd waarop zijn onderwijs begint. “Laatst was hij boos, hadden we hem niet gewekt”, grinnikt Bekkenutte.
En het cliché dat een studentenhuis de schrik van de buurt is, kan ook naar de vuilnisbak. Het Pisi Paleis is vaste klant bij kapper Marcel om de hoek, winkelt graag bij de overburen Mart en Carla, is vaste klant bij café de Pieter en kent voor de rest bijna iedereen. Bekkenutte “Wij zijn de jongens met de hond, dan spreek je veel mensen. Laatst waren we onze Maastrichtpas kwijt. Konden we er een lenen.” Als er soms al klachten zijn, dan komen ze van het aanpalende hotel en meestal als de vuurkolf wordt gestookt.
Mr.Muscle
Een onweersbui barst boven het Paleis los. In een halve tel zijn de twee banken gevuld, ze staan opgesteld rondom het 55-inch tv-scherm (“We kijken graag naar programma’s over gevangenissen”, vertelt Koldijk. “En naar De Wereld Draait Door.”) en een kast vol beeldjes van pelikanen. Bink – “hij is bang voor de regen” - gaat op zijn kussen in de hoek zitten. “Wilt u ook een kopje koffie mevrouw?” Vlietstra checkt even of zijn kamer nog droog is, Koldijk vertelt over de nacht dat hij laat thuiskwam en zijn kamerdeur uit de sponning was getild en op zijn kop gezet. De dader was Chömpff die toen al heerlijk lag te slapen. De wraak van Koldijk was zoet: “Ik heb zijn deur op het balkon gelegd.” Er wordt nog wat gehakketakt tot Van Delft er een einde aan maakt: “Genoeg over die deur.”
Opeens dringt er een pregnante geur de huiskamer binnen. Chömpff, die als enige niets aan de maaltijd had bijgedragen – geen boodschappen, koken of groenten snijden - poetst het fornuis. “Mr.Muscle, met limoensmaak.” Het is trouwens Djimmie’s (de naam die hij van het dispuut heeft gekregen) Terrible Tuesday, straks moet hij ook nog het vuilnis – de enige, maar vaste taak van de huisjongste – buiten zetten.
Het is na tienen, de regen klettert op het keukendak. Bezorgd vragen de heren of “mevrouw” ver moet reizen. “U kunt beter nog even wachten, hoor. En ja, we hebben een plastic zak voor uw handtas.” Als die eromheen zit, vinden ze dat er nog een plastic zak om heen moet. Voor de zekerheid.
“Dag” klinkt het aan de voordeur.
Jongens zijn het, maar lieve jongens.
Riki Janssen