De tijd dat chips alleen worden gebruikt om een computer te laten rekenen, zijn voorbij. Op dit moment dienen ze ook als kweekplaats voor biologische cellen. Die worden in vloeistofcompartimentjes in leven gehouden. Alles wat daar gebeurt, wordt in hoge resolutie gevolgd door microscopen. Het uiteindelijke doel: het menselijk lichaam simuleren om medicijnen te testen of de reactie op giftige stoffen te achterhalen.
Dat laatste is nu nog sciencefiction. Ook een serie organen nabootsen op een chip is toekomstmuziek, zegt Jos Kleinjans, hoogleraar milieugezondheidkunde. “Waar Europese consortia van bedrijven en universiteiten nu mee experimenteren, zijn traditionele kweekschaaltjes met verschillende orgaancellen, die via buisjes met elkaar interacteren. Zo proberen ze een biologisch systeem te imiteren dat dichter in de buurt komt van een intacte mens.”
Zo’n imitatie is natuurlijk beperkt, zegt Kleinjans. “Ingewikkelde zaken als hormoonregulatie zijn nog steeds een brug te ver. Toch ben ik optimistisch over de Europese experimenten. Die zijn hoopgevend voor mijn vakgebied toxicologie. Beter dan nu zou je daarmee kunnen onderzoeken welke stoffen in welke organen schade aanrichten. Parallel aan deze ontwikkeling lopen verschillende programma’s met embryonale stamcellen. Deze cellen lenen zich hier goed voor omdat ze kunnen uitgroeien tot elk celtype en dus ook tot elke orgaancel.”
Vooralsnog gebeurt het meeste onderzoek met kweekschaaltjes van één type orgaancel. Kleinjans cum suis werken samen met de afdeling chirurgie van het universitair medisch ziekenhuis. “Van de chirurgen krijgen we regelmatig levende cellen van patiënten, kankercellen maar ook gezond weefsel. We kweken bijvoorbeeld levercellen door en kijken hoe ze reageren op bepaalde stoffen.”
De simulaties mogen dan niet perfect zijn, ze voorspellen nauwkeuriger wat er in een mens gebeurt dan diermodellen, zegt Kleinjans. “Ik ken dierproeven waarin ratten twee jaar lang een kankerverwekkende stof krijgen toegediend, terwijl de voorspellende waarde niet meer dan 60 procent bedraagt. Onze celmodellen komen uit op 85 procent.”