Daar werd opvallend genoeg over de zaak zelf niet gesproken. Dat had volgens Martin van Boxtel van het PSI wel gekund, “maar er werd vanuit de zaal niet naar gevraagd”. Dat laatste bevestigen verschillende aanwezigen aan Observant, dat er niet bij mocht zijn. Er loopt in opdracht van het college van bestuur momenteel een intern onderzoek naar de kwestie. Wie dat uitvoert, wil men niet kwijt – wel dat het naar verwachting in april afgerond zal zijn.
Achter de oren gekrabd
Van Boxtel denkt dat de ophef heeft bijgedragen aan de opkomst: met naar verluidt ruim zestig deelnemers zat de Greepzaal in het ziekenhuis goed vol. “Ik vermoed dat veel mensen na het NRC-artikel over het thema zijn gaan nadenken. Ze zullen zich achter de oren hebben gekrabd: kan mij dit ook overkomen?”
De aanwezigen werden geïnformeerd over de bestaande richtlijnen, zoals de Research Code van het MUMC+, en het werk van het integriteitsplatform, dat sinds 2018 bestaat. We spreken erover met Van Boxtel, PSI-voorzitter Matt Baker en FHML-decaan Annemie Schols.
Aan vragen geen gebrek
Zouden die richtlijnen geen gesneden koek moeten zijn voor onderzoekers? Alle informatie is immers online beschikbaar, en nieuwe FHML-onderzoekers zijn verplicht daar kennis van te nemen. “Bewustwording creëer je niet alleen door dingen op een website te zetten”, denkt Schols, “maar ook door dingen samen te bespreken. Vaak gaat dit thema pas echt leven als je er zelf mee te maken hebt.”
Aan vragen was vorige week alvast geen gebrek: bijvoorbeeld wanneer je je in het kader van nevenwerkzaamheden presenteert als ‘iemand van de Universiteit Maastricht’. “Daar is geen officieel beleid voor, dus hoe ga je daarmee om?”, zegt Baker.
Wat is een nevenwerkzaamheid?
Of – de hamvraag – wanneer iets eigenlijk een nevenwerkzaamheid is. “Op onze website staat een heldere definitie”, zegt Schols, maar iedere definitie laat ruimte voor interpretatie. Redacteur van een wetenschappelijk tijdschrift? Duidelijk een nevenwerkzaamheid, stelt ze, dus registreren.
Maar een voorzitterschap van een muziekvereniging, zoals iemand tijdens de bijeenkomst vroeg? “Zelfs dat kan in een bepaalde context een nevenwerkzaamheid zijn”, zegt Van Boxtel. Hij snapt de vraag om concretere richtlijnen, die ook klonk, maar niet alles is in een document vast te leggen. Baker: “De richtlijnen zijn helder, maar losse casussen zijn soms heel complex.”
De drie benadrukken met de bijeenkomst vooral ook een dialoog binnen de faculteit te hebben willen aanjagen. “Dat was ook een van de conclusies”, zegt Schols: “Er moet vaker over wetenschappelijke integriteit gesproken worden, bijvoorbeeld binnen afdelingen en in jaargesprekken.”
Openbaarheid
Een andere kwestie is openbaarheid: begin dit jaar publiceerden alle universiteiten van Nederland een register met de nevenwerkzaamheden van hun hoogleraren. Maar hoe zit het met andere onderzoekers, de (hoofd)docenten? Voor hen is er bij de UM geen centraal openbaar register, zegt Schols. Wel moeten zij de directeur van de faculteit via het online platform Successfactors op de hoogte brengen van nevenwerkzaamheden. Die moet deze goedkeuren, waarna ze automatisch op de persoonlijke profielpagina gepubliceerd worden. De decaan vermoedt “dat nog niet op het netvlies van elke niet-hoogleraar gebrand staat dat – en hoe – nevenwerkzaamheden aangekaart moeten worden. Vandaar ook deze bijeenkomst”.