“Geen zielig verhaal hè, niet te veel over dat stotteren en zo. O bah, ik vind zo’n interview maar niks.” Ze ondervindt aan den lijve hoe het is om aan ‘de andere kant’ te zitten, om haar ziel en zaligheid op tafel te leggen. En ze weet ook: Hoe opener de geïnterviewde, hoe boeiender het artikel.
Riki Janssen (1959), de tweede hoofdredacteur die Observant ooit heeft gehad, geeft de touwtjes uit handen. “Het is goed geweest. Ik hoef niet meer altijd vooraan te staan.” Sinds 1996 is ze leidinggevende; ze heeft veel van de groei van de universiteit meegemaakt, de introductie van het Engels als tweede voertaal, de digitalisering, ook van het universiteitsblad zelf.
Is 29 jaar niet heel erg lang? “Ik had al voor corona besloten te stoppen. Maar ja, dan gebeurt er van alles, op de redactie, in het leven van collega’s. Je wacht. Ik wist aan wie ik het stokje wilde doorgeven. Maar die moest nog even nadenken”, knipoogt ze richting haar opvolger. “Iemand van buiten vond ik geen optie. Ik heb het bij zusterbladen vaak fout zien gaan. Het is heel lastig als je de universiteit niet kent.”
Hoe vaak heeft ze wel niet gehoord: ‘Wanneer stap je over naar een grote landelijke krant?’ “In de ogen van velen is een universiteitsblad ‘minder’. Ik begrijp het wel, maar toch is het jammer. Het werk is hetzelfde. Wij hebben net zo’n hoge standaard, nemen de journalistieke regels in acht, zijn kritisch, net als een Volkskrant of NRC. Bovendien wil ik niet weg uit Limburg, niet van het team, niet van deze universiteit, want dat mag ook weleens gezegd: het is hier leuk, er lopen boeiende mensen rond die boeiende dingen doen. Zou ik dat allemaal inruilen omdat er ‘meer’ zou zijn, vanwege de status? Zeker niet.”
De Observant-redactie, in het midden Riki Janssen, jaren negentig
Opsmuk
Over die ‘status’, het kwam een hele tijd geleden ter sprake op de redactie: de e-mailhandtekening. Wat schrijven mensen in een e-mail bij hun naam? Hun functie, natuurlijk, maar ook hun titels? Janssen gaf toe dat ze héél lang niet haar doctorandustitel heeft genoemd. Gewoon ‘Riki Janssen, hoofdredacteur’, geen ‘drs. Riki Janssen, hoofdredacteur’. Te veel opsmuk, borstklopperij. Ja, je mag trots zijn op wie je bent en wat je hebt behaald, maar er zo mee te koop lopen, nee, niks voor haar. Ze voelt zich niet meer dan een ander. En ook niet meer dan haar collega’s, want “soms weten die het beter”, zegt ze. “Dat is geen schande.” Haar lijfspreuk – ‘ik ben de eerste onder mijn gelijken’ – sluit daarbij aan.
"Ik weet niet of ik een grotere organisatie zou kunnen leiden. Is die verbinding er dan nog?"
“Als je samen een krant maakt, heb je elkaar nodig. Ik wil contact, weten hoe het met mijn mensen gaat, of er iets speelt, dan kan ik daar rekening mee houden. Daarom weet ik ook niet of ik een grotere organisatie zou kunnen leiden. Is die verbinding er dan nog?” Janssens leiderschapsstijl? Empathisch, respectvol, ze geeft haar medewerkers de vrijheid, vertrouwen, “want ik weet hoe fijn het is om je eigen toko te runnen, om aan een eigen project te werken. Achteraf gezien zou ik het niet anders hebben gedaan, hoewel ik wel te veel bezig kon zijn met de waan van de dag, met een krant die af moet.” Die wekelijkse deadline en al het geregel eromheen zorgen nog steeds voor de nodige stress. Als mensen niet op tijd hun stukken aanleveren, dingen niet lopen zoals gepland, zeker op woensdag, als de drukker wacht, dan moet je Janssen vooral met rust laten.
Stoer zijn
Na een studie filosofie aan de toen nog Katholieke Universiteit Nijmegen had Janssen twee opties voor ogen – het waren de jaren tachtig, banen lagen niet voor het oprapen, dus het was maar zien wat je kon krijgen. “Ik dacht aan de wetenschap, onderzoek doen. Of aan iets met schrijven, want dat vond ik wel leuk, niet meer, niet minder.” Ze had al een bijdrage mogen leveren aan een studentenblad – het bewerken van een essay tot een ‘wetenschappelijk artikel’ – en volgde een cursus waarin ze leerde hoe je makkelijker over wetenschap schrijft. Daarna meldde ze zich aan bij het ‘zusje van Observant’ in Nijmegen, inmiddels Vox. Tegelijkertijd probeerde ze ook een promotieplek ‘vrouwenstudies filosofie’ te bemachtigen in Amsterdam, “ik werd niet uitgekozen”. Even later: “Ik las laatst dat degene die die baan kreeg, nu hoogleraar is.”
Janssen en de wetenschap, het lag helemaal niet in de lijn der verwachting. Niet dat ze de hersens niet had, zeker niet, maar als tiener was ze “met andere dingen” bezig. “Ik deed niks aan huiswerk. Ik was een druk kind, trok mijn mond open als ik iets vond, hield vooral van sporten. Ik wilde stoer zijn, sterk, jongensachtig. Na de basisschool ging ik naar de mavo. Als iemand niet rijp voor school was, dan was ik het wel.” Was ze ook bazig? “Dat niet, maar ik liep wel graag voorop.” Ze herinnert zich de organisatie van een circus, in de zesde van de lagere school. “Ik nam mede het initiatief en regelde het samen met een groep andere meiden.” Zo was het ook bij de handbal, een sport die ze op vrij hoog niveau beoefende in haar geboortedorp Nederweert en waar ze erg goed in was. Janssen was jarenlang aanvoerder.
Sportverdwazing
“Nu ik ouder ben, zie ik dat dat stoere, dat overschreeuwen, compensatie was. Ik had faalangst en stotterde gruwelijk. Dat heb ik mijn hele leven met me meegedragen. Een opleiding tot juf, waar ik heel kort over heb nagedacht, zag ik niet zitten, want dan moet je heel veel praten.” Als beginnend journalist bij het blad van de Katholieke Universiteit Nijmegen zag ze om die reden enorm op tegen telefoontjes. Speechen als hoofdredacteur van Observant: “Ik schreef in het begin mijn speeches helemaal uit. Nog steeds is het geen hobby, haha, maar ik heb het altijd gedaan. ‘Je mag bang zijn, maar laat je er niet door tegenhouden’, zeg ik ook altijd tegen collega’s en studenten die bij ons komen freelancen.”
"Ik wist meteen: ‘Ik wil leven als De Beauvoir.’ Ik wilde ook een Sartre"
Nog even terug naar haar schoolcarrière: mavo, havo, de sociale academie en via een colloquium doctum, een toelatingstoets, naar de universiteit. Notabene de opleiding filosofie, niet bepaald een praktische studie. “Mijn oudere broer, die biologie studeerde en halverwege overstapte naar psychologie, gaf mij een boek van Simone de Beauvoir cadeau. Hij vond dat ik last had van sportverdwazing en wilde me verheffen”, lacht ze. “Ik las het en wist meteen: ‘Ik wil leven als De Beauvoir.’ Ik wilde ook een Sartre – die heb ik gevonden, mét brilletje [oud-Observant-redacteur Wammes Bos, haar echtgenoot].”
Op de universiteit stak de faalangst weer de kop op. “Ik was bang dat ik de intellectuele omgeving niet aankon. Toch deed ik het, ook al was het soms een gevecht. Ik leerde er nadenken, analyseren, kritische vragen stellen. Het heeft me enorm geholpen in mijn latere carrière als journalist.”
Puinzooi
Archieffoto Observant
“Wat een gelul”, roept ze dan, als haar start als hoofdredacteur aan bod komt. Het toenmalige stichtingsbestuur (Observant is een stichting; het bestuur buigt zich over personeelszaken, dus ook over aanstellingen en ontslagen) wilde haar niet als leidinggevende, hoewel Janssen al een aantal cruciale taken op zich had genomen. “Zaken waren slecht geregeld”. Vijf jaar eerder al, in 1991, toen ze werd aangenomen als redacteur, verbaasde ze zich over de “ongeregelde puinzooi”, geen wekelijkse planning, geen afspraken over deadlines. Ze had natuurlijk kunnen vertrekken, maar dat deed ze niet. Ze schoot in de organisatiemodus. “Waarom het stichtingsbestuur mij niet wilde bevorderen tot hoofdredacteur? Ik weet de reden niet. ‘Omdat ik vrouw ben’, heb ik altijd gedacht.” Uiteindelijk waren het haar collega-redacteuren die het hogerop zochten. Ze stuurden het college van bestuur, met daarin onder andere rector Hans Philipsen, een brief met het verzoek om te bemiddelen, zodat Janssen wél de baan kreeg. “Marja Verhulst, destijds secretaris van het college, deed het als een van haar laatste klussen. Marja vond me wel wat jong, ik was 36, maar ik mocht het proberen.” Janssen werd interim en kreeg een coach. “Irene Levy. Wat heb ik veel van haar geleerd.” De gouden tip: “Je bent God niet, je kunt niet altijd alles perfect doen.”
Feminists of Maastricht
Er kwam een moment dat ze ging wankelen; bovenstaand ‘mantra’ hielp haar niet meer. Janssen noemt het de heftigste periode in haar carrière. Het was eind 2021. Feminists of Maastricht (FOM), een studentenorganisatie, was het niet eens met een bericht over gratis tampons en maandverband in de universiteitsgebouwen. Het was gestart als proef en Observant schreef dat de middelen zijn bedoeld “voor vrouwen” die geen geld hebben om ze te kopen. FOM wilde dat veranderd zien in ‘voor mensen’, omdat “niet alleen vrouwen menstrueren”, lieten de studenten de redactie per mail weten. “We moesten het meteen aanpassen. Zo niet, dan zouden ze ‘hun gemeenschap mobiliseren’. "Ik vond niet dat we daarvoor moesten zwichten, maar de sfeer was dreigend. Op het online artikel kwamen de vreselijkste comments binnen, we waren ‘racistisch, extreemrechts en transfoob’ en nog wat kwalificaties.”
In de stad hingen posters met daarop aantijgingen dat het universiteitsblad discriminerend taalgebruik zou gebruiken. Half januari 2022 werd de website van Observant platgelegd. Een gerichte cyberaanval door FOM-sympathisanten, zo bleek uit een e-mail die bijna twee weken later aan de redactie werd verstuurd.
Te kwader trouw
“Het was bizar”, zegt Janssen, “dit had ik nog nooit meegemaakt”. Wat ook niet hielp: ze had haar ouders niet heel lang daarvoor verloren. Het verlies was nog vers. Haar moeder was langere tijd bedlegerig geweest en overleed tijdens corona in 2020. Van haar vader had ze een jaar eerder, vrij plotseling, afscheid moeten nemen.
“Ik had altijd een grote muil, maar daar was nu weinig van over. De angst nam het over. Het werd ook persoonlijk, ik werd door mensen die mij niet kenden, in onlinereacties, beledigd. Maar dat was niet wat aan me vrat. Het was de aantijging dat de redactie, dat ik, te kwader trouw zou zijn. Natuurlijk heb ik meermaals gedacht: ‘Wat had ik anders kunnen doen?’ Dat is de reflex waarin je schiet. Had ik het kunnen voorkomen? Dat weet ik niet, ik denk van niet. Maar ik had moeten bellen met deze studenten en het niet via de e-mail moeten afhandelen. Praten werkt vaak zoveel beter.”
"Ik was bang dat ik daarna nooit meer terug zou komen"
Dat er ‘anti-Observant’-posters in de stad hingen, dat FOM waarschuwde de gemeenschap te mobiliseren, het zorgde ervoor dat Janssen zich soms ook fysiek onveilig voelde. Het was winter en het schemerde als ze aankwam met de fiets bij de stalling achter de Bouillonstraat. “Ik dacht regelmatig: ‘Wat als er dadelijk iemand achter je staat?’”
Het brak haar op, maar ze zette door. Op een laag pitje, dat wel. HR-adviseur Pierre Schröder adviseerde haar rust te nemen, zes, zeven weken, even niet werken. “Ik zei ‘nee’, ik was bang dat ik daarna nooit meer terug zou komen.”
Het team van Observant was “goud waard, niet alleen in die situatie, maar in alle jaren als hoofdredacteur [er zijn maar weinig personeelswisselingen geweest]. Mijn team voelt als familie.”
Ook heeft ze in die moeilijke periode de steun van het college van bestuur gevoeld. Wat wel eens anders was. “Toen Jo Ritzen, oud-minister van Onderwijs, aan het roer stond van de UM, voelde ik altijd een dreiging, ‘straks trekt hij de stekker eruit’. Hij had niets met een onafhankelijk blad. Hoe vaak Cor Spreeuwenberg, voorzitter van ons stichtingsbestuur destijds, niet op gesprek is moeten gaan. Dan was Jo weer ergens ontevreden over.” Bij de huidige voorzitter, Rianne Letschert, en haar collega-bestuurders, is er respect over en weer, “ook al zijn ze niet altijd blij met negatieve publiciteit”.
Worstelen
Janssen is niet alleen leidinggevende, maar staat ook zelf met ‘de poten in de modder’. “Het is een bewuste keuze om te blijven schrijven. Ik weet hoe het is om te worstelen met een verhaal, om moeilijke vragen te stellen, een geïnterviewde terug te bellen omdat je nog iets wil weten, om mensen aan te spreken in een willekeurig universiteitsgebouw.”
"Een onafhankelijk blad is anno 2025 nog steeds heel erg belangrijk"
Sinds 2017 schrijft ze wekelijks een redactioneel over het leven op de redactie. “Ik twijfelde in het begin, dacht: ‘Wat heb ik te melden’, maar het lukt altijd, er is altijd wel wat.” Ze is duidelijk over de rol van een onafhankelijk universiteitsblad anno 2025, “die is nog steeds heel erg belangrijk”. Maar moet de vorm niet anders, om vooral studenten die veel met sociale media bezig zijn, nog meer aan je te binden? “Het is lastig, we hebben een breed lezerspubliek, er zijn mensen die graag de papieren Observant uit de bak nemen en er zijn veel online lezers. Die proberen we allebei te bedienen.”
Janssen blijft tot haar 67e doorwerken als redacteur. “Ik heb er zin in, stukken schrijven, geen andere verantwoordelijkheden. Ik ga je niet in de weg lopen”, zegt ze tegen haar opvolger. “Dat heb ik aan mijzelf en aan jou beloofd. Ik zie het helemaal zitten, ik laat het met een gerust hart achter.”