Ja, ze weten van de moord op Lisa. Ze hebben er geen woorden voor. Zij is het zoveelste vrouwelijke slachtoffer van mannelijk geweld. “Kan de overheid niet meer doen om dit te voorkomen? Hoe moeilijk dat ook is?” Ze komen uit Tsjechië en Peru, de twee student-assistenten (en vriendinnen) die maandag, de eerste dag van de facultaire introductie even op een bankje in de tuin van de faculteit of Arts and Social Sciences zitten. Nicole Králová komt uit Praag, woont al vier jaar in Maastricht en begint volgende week aan haar master European Studies. Ana Lucia Zumarán Valancia komt uit Lima, woont hier ook al vier jaar en heeft net haar bachelor Global Studies afgerond.
Norse blik
Ze hebben allebei een kamer in het centrum van de stad, een paar straten van elkaar vandaan. En jazeker, seksueel getinte opmerkingen, gebaren, fluiten, achtervolgen, roepen; ze maken het mee. Al is het in hun thuissteden vele malen erger. “In Praag had ik er veel meer last van. Toen ik vijftien was liet een man zijn piemel zien. Ik bevroor. Als je jonger bent, verstijf je eerder, denk ik. Nu ‘jaag’ ik onaangename types weg met een norse blik”, zegt Králová met een brede glimlach.
Zodra het donker wordt, houden ze uit voorzorg hun sleutels in de hand (om in geval van nood mee te meppen) en “staan ze klaar om hard weg te rennen”, legt Zumarán Valancia uit. Ooit kon ze haar huissleutels niet snel genoeg vinden en vroeg een man aan de overkant van de straat of hij kon helpen. Ze voelde dat het niet pluis was en kon nog net op tijd de deur voor hem dicht gooien.
Keihard schreeuwen
Králová volgde in Praag een zelfverdedigingscursus. “Het ging veelal om preventie: sluit je bij onraad aan bij een groepje vrouwen, ga bij een moeder met kind staan, roep de hulp van de buschauffeur in, die mag passagiers weigeren. En als het mis gaat, moet je één keer hard slaan met je sleutels, keihard schreeuwen en wegrennen.”
De twee sturen appjes naar vrienden als ze alleen naar huis vertrekken, en wordt het onaangenaam op straat dan bellen ze met een vriend(in). De meest unheimische plekken in Maastricht? Het centraal station, klinkt het in koor. “Daar wil je niet zijn zodra het donker is. Er lopen altijd vreemde types rond. Alle winkels zijn ‘s avonds gesloten, net als de informatiebalie, wie komt dan helpen als je in nood zit?” De omgeving van de Wilhelminabrug - “met coffeeshops en dealers”- scoort ook hoog. Net als de Markt. “Niet in de cafés, maar zodra je buiten komt is het creepy.”
“Wil je seks?”
Het meeste last hebben ze van dronken herendisputen, Vlamingen en “kinderen op fatbikes. Die roepen: ‘sletten’ of ‘wil je seks?’ Ze kunnen nog niet eens fatsoenlijk Engels. Ze roepen het in het Nederlands, ik ben blij dat ik dat niet alles goed versta, ik denk dan maar dat ze iets leuks zeggen over mijn haar”, grinnikt Králová.
Nog een laatste punt: toen onlangs een kerel zich aan Králová opdrong en vroeg of ze seks wilde, brachten mannelijke vrienden haar naar huis en bleven nog even. “Gebeurt dit vaak? Let je altijd op, wilden ze weten. Ja, zei ik. Op dat moment realiseerde ik me pas dat dit ook echt zo is. Ik let nu zelfs op of er niets in mijn drankje wordt gegooid. Het zou goed zijn als mensen elkaar helpen, dat we allemaal alert op dit soort zaken zijn en laten zien dat we het niet accepteren.”
Superveilig
Aan de overkant van de Maas in Randwyck zit een groepje geneeskundestudenten in de zon (ze willen liever niet met hun naam in de krant). Voelen ze zich veilig als ze ’s nachts door Maastricht fietsen? “Superveilig”, klinkt het uit twee monden. Een derde twijfelt. Zij werd al eens bespuugd en nageroepen. “Al is er daarna - het is zo’n 1,5 jaar geleden - niets meer gebeurd, dus misschien is het nu beter. Of ben ik gewoon niet meer zo vaak ’s nachts op straat nu ik coschappen loop.” De andere twee masterstudenten hebben, net als twee tweedejaars, nooit iets meegemaakt hier. “Ik kom uit Rotterdam, daar is het veel erger”, klinkt het. Wat Maastricht volgens hen veiliger maakt? Niet zo groot (dus nooit ver fietsen), relatief veel verlichting (“Ik hoef maar een klein stukje door het donker”) en relatief veel politie op straat (“vooral in het uitgaansgebied”).
Gaan ze dan zorgeloos de nacht in? Dat toch niet. Sterker, ze blijken nu ze erover nadenken een waslijst aan voorzorgsmaatregelen te nemen. “Ik fiets ’s nachts altijd sneller, let beter op, heb maximaal één oortje in zodat ik hoor wat er gebeurt. En ik deel permanent mijn locatie via mijn telefoon met een paar mensen, dus er is altijd iemand die weet waar ik ben”, zegt een van de masterstudenten. Een van de tweedejaars, die in een dorp vlakbij Maastricht woont, fietst nooit ’s nachts. “Na het uitgaan vraag ik of mijn ouders me op kunnen halen, of ik ga gewoon niet.”
“App je als je thuis bent?”
Meer tips vliegen over en weer: voiceberichten versturen zodat het lijkt alsof je belt én het wordt opgenomen als er iets gebeurt, sleutels in je hand, samen fietsen en - klinkt het lachend in koor - “altijd even appen als je thuis bent”. Maar eigenlijk werkt dat voor geen meter, merkt de Rotterdamse student op. “Ik vergeet het 90 procent van de tijd.” Instemmend geknik, maar niet bij die ene die een keer belaagd werd. “Dan ga ik je stalken, ik bel en app net zo lang totdat ik iets hoor.”
Binnen, bij de ingang van het gebouw aan de Universiteitssingel 40, zit tweedejaars psychologie Floor Peters aan een tafeltje. Het nieuws over de moord op Lisa hakt er wel in, vertelt ze. “We hebben het er in mijn vriendengroep veel over. Het komt dichtbij – dat had ik kunnen zijn, of een vriendin of mijn zusje.”
Achtervolgd
In haar vriendengroep is de afspraak dat ze elkaar bellen (dan ben je minder alleen) als er iemand ’s avonds laat over straat moet. Zelf mijdt ze na zonsondergang onverlichte wegen en steegjes. “Ik voel me niet altijd veilig, kijk twee keer over mijn schouder en trek na het uitgaan een lange trui of jas aan om mijn uitgaanskleding te bedekken.” Of ze concreet iets meegemaakt heeft? “Ik heb weleens het gevoel gehad dat ik achtervolgd werd, dat ik dacht: die man loopt wel erg ver mee. Dat was heftig." En het treurige is: “Het is bijna normaal geworden.”
Peter Doorakkers, Cleo Freriks, Riki Janssen