In 1919 werd J. D. Salinger geboren. In New York en in redelijke welstand. Hij wist al vroeg dat hij schrijver wilde worden. In 1951 verscheen The catcher in the rye.
Holden Caulfield, een dwarse jongeman, zwerft vlak voor Kerstmis een aantal dagen door New York nadat hij voor de derde keer van een kostschool is getrapt. Hij is de verteller van zijn eigen verhaal. Kennelijk vanuit een inrichting. Tot en met 1965 publiceert Salinger nog zo’n vijfentwintig gelijksoortige verhalen. In 1953 trekt hij zich terug in een dorp in New Hampshire. Na 1980 staat hij de pers niet meer te woord. Rechtszaken over privacykwesties houden hem in het nieuws. In 2010 overlijdt hij.
Ooit bezat ik The Catcher in de pocketeditie van Signet Books. Die boeken met vaak eigentijdse romans van na de Tweede Wereldoorlog ontleenden hun faam aan de fantastische, maar fel realistische omslagen. Op de omslag loopt Holden Caulfield door New York met zijn zware koffer, zijn lange jas en zijn baseball cap met de klep naar achteren. Op de achtergrond scènes uit het nachtleven. Holden loopt stevig door. Niet dat hij het nachtleven schuwt, maar hij is voortdurend op weg naar afspraken of plaatsen waar hij misschien iemand kan treffen. Het is een vermoeiend boek. Niet alleen omdat het vol zit met wonderlijke incidenten, maar ook omdat het razend druk is in Holdens hoofd. Hij vertelt ons alles. In een soort pubertaal die gefixeerd is op meisjes, roken en drinken, het afzeiken van alle jongens op zijn scholen, en vooral het als nep en schijnheilig verklaren van elk gedrag van volwassenen. Alleen zijn jongere zusje Phoebe deugt.
In de Wikipedia staat (31-1-2010, 13.54) dat De vanger in het koren een Bildungsroman is, een verhaal over volwassen worden. Dat is op zijn hoogst een halve waarheid. De puberteit wordt door Salinger gebruikt om de onvermijdelijke val van de mens die aan extreme sociale en culturele overgevoeligheid leidt, te beschrijven. Ook die van hem zelf. De laatste twee zinnen van zijn grote boek luiden: “Vertel niemand ooit iets. Als je het wel doet begin je iedereen te missen.”