Het zal toch niet waar zijn? Job Cohen die dadelijk premier van dit land wordt? Die rustige man, altijd maar theedrinken, dat ontzettend beschaafde? Onze Job? Ja, dat weten er misschien niet veel meer, maar hij was hier decaan bij de rechtenfaculteit, hij was lid van de universiteitsraad, werd rector magnificus, hij was een boegbeeld van deze universiteit. Toen had hij nog krullen, althans in het begin, later gingen daar de leeftijd en de civilisatie overheen. Nu is hij meer heer. In het uiterlijke dan, want het innerlijk is volgens mijn bescheiden mening niet zo veranderd.
Maar willen we dat dan terug? Ik neem u mee naar de vroege jaren negentig, toen ik hem als beginnend beleidsambtenaar mocht dienen. Ai, daar gaan we al, zo lag het in die dagen niet. Wij dienden niet, Job deed dat. Hij is een man van democratische omgangsvormen. Tegenwoordig noemen we dat een watje. Rector was een dienende functie, vond hij, je moest vooral zorgen dat je de wetenschappers niet te veel hinderde bij hun onderzoek, en ze als docent ook niet te veel in de weg willen lopen.
Met de kennis van nu zeg ik: hopeloos gedateerd. Job was de rust zelve. Een aartsluilak. Als je met hem sprak lag hij behaaglijk onderuit in zijn stoel, stelde een paar zogenaamd slimme vragen en wenste je veel succes met de uitwerking van de plannen. Tja, zo kwam er natuurlijk nooit iets uit onze ambtenarenhanden.
Godzijdank hebben we nu nieuwe bestuurders met nieuwe mores. Wij van de Berg zijn gedresseerd om op commando nota’s te produceren, om onze opdrachten via de hiërarchische kanalen te ontvangen en al zeker niet present te zijn bij de bespreking van onze eigen stukken in de vergadering van het hoge College, want als beleidsambtenaar moet je niet te veel kapsones hebben en al helemaal niet denken dat je ergens verstand van hebt. Wij kennen onze plaats, en zie waar het onze UM gebracht heeft! In de intergalactische top honderd, toch?
Mocht u nu constateren dat het destijds een ingeslapen zooitje was: inderdaad. De universiteit groeide nagenoeg vanzelf. Iedereen rotzooide wat aan, de bestuurders maakten zich wel eens druk maar daar moest je je echt niet te veel van aantrekken. In de universiteitsraad riepen ze die dan weer tot de orde. Zo’n dynamisch College van Bestuur als dat van nu, die drang om de wereld te veroveren, ik zou bijna zeggen: die V.O.C.-mentaliteit, dat alles was ver te zoeken. Ik heb ook nog eens nagevraagd hoe ze vroeger met een blaadje als dit omgingen. Of ze een beetje ruggengraat vertoonden, de heren bestuurders destijds in hun omgang met de eigen universitaire pers. Daar kom je zo achter, want bij de redactie lopen nog steeds een paar van dezelfde etterbakken rond als toen. En wat vertellen die? Ik waarschuw u, slapper gelul hoort u zelden. En stoerdoenerij. Hier komt-ie. Dat ze om de haverklap mot hadden met het College, vooral als ze weer eens iets vertrouwelijks voortijdig naar buiten brachten. Dat het College (nou ja, Job niet hoor, die was niet zo) dan briesend door de gangen liep om het lek op te sporen in plaats van gewoon de redactie de les te lezen. Dat ze niettemin ook wel eens (een voorganger van Job) de redactielokalen binnenstormden met de tekst: “Godverdomme, zijn jullie helemaal belazerd, vergeet niet dat wij jullie betalen hè!”, maar dan toch de volgende keer gewoon weer aan de telefoon kwamen voor een interviewtje. Want, zeggen ze nu bij de redactie, ik citeer: “Als puntje bij paaltje kwam hadden we over en weer respect voor elkaar.” Ja, dat haal je de koekoek, wee je gebeente als je geen respect voor je bestuurders hebt, maar omgekeerd? Ja echt, zeiden ze, en het wordt nog mooier: als een bestuurder naar elders vertrok, de grote wereld in, bedankten ze de redacteuren voor “de kritische begeleiding”!
Getverdemme! Wat waren dat voor homo’s? En zo’n type moet nu het land gaan leiden?
Uw roddelkont,