“Vooruit, je mag blijven slapen, maar ik moet wel om half negen op.”
Ze zegt het alsof ik had aangedrongen, maar mijn plan de campagne voor de avond had als eindpunt ‘een kus bij haar voordeur’, dus ik laat me ietwat verwonderd maar gedwee bij het handje de trap op nemen. Wanneer ik een tiental minuten later op haar bank lig ben ik eigenlijk wel benieuwd naar de houdbaarheidsdatum van het condoom dat toch al best een poos in mijn portemonnee zit, maar die vraag blijkt al snel voor haar een overbodige te zijn. Ik ben de regie een beetje kwijt geloof ik. Ach ja, als je een nieuwe televisie koopt trek je er ook niet eerst een zwarte plastic zak overheen voordat je ernaar gaat kijken, ja toch, niet dan?
Mentaal ben ik een paar uur geleden al afgehaakt, ongeveer op het moment dat ze na een omstandig betoog over carnaval desgevraagd vol trots vertelde dat ze de laatste keer op Rita Verdonk had gestemd. Die was tenminste recht door zee.
Zoals vaker heb ik de matige wedstrijd wat kunnen compenseren met een goede voor- en nabeschouwing. Met haar hoofd op mijn borst kijk ik omhoog. Ik voel haar ademen. Ik zeg dat ik haar mooi vind. Dat is waar. Ik zeg dat ik haar leuk vind. Dat is gelogen, maar ik kan het niet helpen. Ik vind dat ik het moet zeggen, net zoveel tegen mezelf als tegen haar.
Mijn hockeycoach zei vroeger altijd dat ik fouten begon te maken als ik in mijn hoofd al verder was met de bal dan op het veld. In mijn hoofd heb ik mijn broek alweer aan. Ze kijkt wat beteuterd als ik zeg dat ik er vandoor ga, en dat is het eerste moment tot dan toe dat ik enige sympathie voor haar voel.
“Ach, jij moet morgen vroeg op.”
Ze zegt dat ze het niet erg vindt als ik blijf liggen als zij straks opstaat.
“Ik snurk.”
Die smoes heeft als bijkomend voordeel dat hij waar is. Ik zeg dat ik haar zal bellen.
Het is rond tweeën als ik de deur achter me dichttrek. Ik sms Jochem of er een blaadje klaarstaat in de PT en hij antwoordt bevestigend. Gelukkig, wordt het toch nog gezellig vanavond.