Marc Willemsen (1963, Velp)
1988 afgestudeerd psychologie (Nijmegen)
1989 onderzoeksassistent vakgroep gezondheidsbevordering (UM)
1997 promotieonderzoek over stoppen-met-roken-interventies (UM)
2002 hoofd onderzoek Stivoro
2010 hoogleraar tabaksontmoediging
“Het is de UM die het initiatief voor de leerstoel heeft genomen, de universiteit wil zich meer profileren op het vlak van de tabaksontmoediging. Maastricht werkt al twintig jaar samen met Stivoro, en dat is in het belang van beide. Voor de UM is de kans groter dat haar onderzoeksresultaten maatschappelijk worden toegepast. En Stivoro ziet de samenwerking en vooral de leerstoel als een erkenning van haar expertise. We verkennen de mogelijkheden om binnen Caphri een Tobacco Control Research Center op te richten. Ik zal me vooral bezighouden met de vraag hoe je roken het best kunt ontmoedigen, welke regelgeving effectief is, en ik ga meedoen aan een grootschalig onderzoek waarin rokers een tijdlang worden gevolgd. Het is onderdeel van een internationale studie die probeert te achterhalen waarom maatregelen in het ene land beter uitpakken dan in het ander.”
Rookt u?
Nee. Wel in mijn studententijd in Nijmegen. Daar rookte in de jaren tachtig 90 procent van de studenten. Ik rookte niet zo veel, deed vijf dagen met een pakje shag. Toen ik bij de vakgroep gezondheidsbevordering (voorheen GVO, red.) als onderzoeksassistent aan de slag ging, ben ik vrij snel gestopt. Ik betrok het antirookonderzoek op mezelf en voelde me er niet goed bij. Door mijn eigen ervaringen koester ik wel sympathie voor rokers en begrijp ik dat ze zich in een hoek gedrukt voelen.”
U vindt dat Nederland te weinig doet om het roken uit te bannen. Wat zeggen de laatste statistieken?
“Op dit moment rookt 28 procent van de Nederlanders. Een miljoen mensen doen jaarlijks een stoppoging, maar slechts 150.000 van hen slagen daarin. Toch zie je dat het aantal rokers door de jaren heen is gedaald. Toen ik in 1998 in Maastricht kwam werken, rookte 33 procent van de bevolking, nu is dat dus 5 procent minder. Wel heeft de daling in ons land laat ingezet. Engeland zat zeven jaar geleden al op 28 procent, nu op 21. Vijf jaar geleden streefde de Nederlandse overheid samen met een aantal collectebusfondsen naar 20 procent in 2010, de huidige 28 procent is in dat licht een teleurstellend resultaat, een mislukking.”
Wat doet Nederland verkeerd?
“We hebben ervoor gekozen om eerst een verbod op de werkplek in te voeren en later pas in de horeca. Veel landen hebben beide maatregelen tegelijk ingevoerd en dat werkte beter. Wij stelden het uit vanwege het geringe draagvlak in café’s en hoopten dat de horeca zelf maatregelen zou nemen. Wat natuurlijk naïef was. En wat Nederland een makkelijk doelwit van de tabaksindustrie maakte. Wij waren immers tolerant, wilden geen Amerikaanse toestanden, en losten het samen wel op. De fabrikanten hebben in Nederland vrij spel gekregen en zijn er steeds in geslaagd om anti-rookprogramma’s te traineren.”
En daardoor is Nederland achtergebleven bij andere EU-landen.
“Ja. Maar het had ook anders gekund. In Finland wilde de industrie het ook ‘samen oplossen’, maar daar liet een groep epidemiologen een krachtig tegengeluid horen. Het publiek richtte zich tegen de fabrikanten en nu is Finland een van de koplopers in Europa. Het wil zelfs in 2040 een rookvrij land zijn, al is nog niet duidelijk wat dat precies inhoudt. We lijken zelfs ingehaald door België, het eerste EU-land dat afschrikwekkende foto’s op pakjes overweegt. Andere landen zoals Zwitserland, Roemenië en IJsland besteden een percentage van de accijnzen aan tabaksontmoediging. Een goed idee. Maar Nederland doet dat allemaal niet. In 2004 zat Nederland in de kopgroep als het gaat om tabaksontmoediging, volgens een Europese peiling waar ik zelf als deskundige bij betrokken ben. Drie jaar later kwamen we niet verder dan de middenmoot. Samen met Polen en Hongarije.”
Toch is er een rookverbod gekomen.
“In het begin ging dat goed. Veel rokers hadden er vrede mee en grepen het aan om te stoppen. Maar wat gebeurde er, zoals NRC ontdekte? De industrie bedacht de slogan ‘Red de kleine horeca-ondernemer’ en steunde de café-eigenaars zonder personeel in hun rechtszaken tegen de staat. Daarom is de weerstand tegen het horecaverbod zo groot geworden. Het trieste is dat die café’s evengoed slachtoffer zijn van de industrie. Ze zijn misbruikt, waren speelbal, kregen valse hoop maar het verbod komt er toch. Ik vind dat moreel gezien over de grens. Maar goed, de industrie heeft een track record van manipulatie en beïnvloeding. De Wereldgezondheidsorganisatie raadt overheden af om met die partij te praten maar het ministerie van Klink doet het toch. Wat mij betreft is het sowieso tijd voor een andere minister, een die meer aandacht heeft voor de volksgezondheid en die niet bang is voor de confrontatie met de industrie.”
Niet roken in parken, in auto’s: wat wordt de volgende stap?
“Belangrijk is dat sigaretten in winkels uit het zicht verdwijnen. Nu sta je bij Albert Heijn in de rij en kijk je tegen een service corner aan waar sigaretten rijendik liggen opgestapeld. Het product fungeert zo als reclame-uiting. Voor jongeren is dit een signaal dat roken heel gewoon is. En volwassenen die gestopt zijn, komen in de verleiding om weer te beginnen. In Canada, waar ik laatst was, moet je aan de kassa speciaal vragen naar een pakje sigaretten. De cassière maakt dan een schuif open, pakt een pakje en sluit het scherm weer. Je ziet er niets meer van. Zelf wil ik onderzoek doen naar de invloed van deze walls of cigarettes op jongeren.”
Gaat dat in Nederland ook gebeuren?
“Je zult zien dat de industrie zich hier weer gaat roeren. Wat die steeds doet is de individuele vrijheid van roken benadrukken. Die strategie ligt goed in de media, want wie ertegenin gaat is per definitie betuttelend. In werkelijkheid zijn rokers helemaal niet vrij maar verslaafd, en hebben ze slechts een beperkte keuze. Ze vragen zich nooit af: ‘Zal ik vandaag gaan roken of niet.’ Ze moeten wel.”