De Universiteit Maastricht heeft tot nu toe 88 Vernieuwingsimpulsbeurzen (VI) op haar naam staan. De subsidie van wetenschapsfinancier NWO bestaat al sinds 2000; twee jaar later is deze opgedeeld in de drie categorieën veni, vidi en vici. Een veni is voor pas gepromoveerde onderzoekers, een vidi voor onderzoekers die een vernieuwende onderzoekslijn willen ontwikkelen en een vici voor senior-onderzoekers. Maastricht telt 49 veni’s, 30 vidi’s en 9 vici’s. Het zijn persoonsgebonden beurzen en dat betekent dat een wetenschapper de geldbuidel kan meenemen als hij of zij de universiteit verlaat. De UM heeft twaalf onderzoekers zien vertrekken met zo’n NWO-subsidie.
Twaalf van de 88. Dat is bijna 14 procent. Geen man overboord. Maastricht zit zelfs onder het gemiddelde dat NWO berekende in een evaluatierapport van drie jaar geleden: 16 procent. “Wat betreft de binnenlandse mobiliteit stellen wij vast dat de VI vooralsnog weinig uitnodigt tot shoppen”, luidde de conclusie. “Een kleine minderheid van de laureaten” voert hun VI-onderzoek uit aan een andere instelling dan van waaruit het voorstel is ingediend.
Een reden voor deze bescheiden mobiliteit is volgens NWO de gebondenheid aan onderzoeksfaciliteiten zoals labs en testomgevingen. Geesteswetenschappers laten volgens het NWO-rapport de meeste nationale mobiliteit zien. Zij hebben vaak geen uitgebreide onderzoeksinfrastructuur nodig en zijn daardoor mobieler.
Dat beeld heerst niet in Maastricht, waar vooral afscheid is genomen van psychologen, maar dat wordt wellicht verklaard door het grote aantal VI-winnaars bij deze faculteit. Geneeskunde telt overigens de meeste laureaten.
Rector Gerard Mols over de vertrokken onderzoekers: “Jammer, want het gaat om talenten en die proberen we aan ons te binden, maar tegelijkertijd kunnen we ze niet tegenhouden. Met een persoonlijke subsidievorm is de markt geopend voor onderhandelingen en dat is niet altijd plezierig, want je rekent toch op loyaliteit. In de begeleiding van zo’n aanvraag is veel tijd en energie gaan zitten.” Is het een idee om VI-winnaars standaard sneller te bevorderen tot bijvoorbeeld universitair hoofddocent en ze met zo’n carrièreperspectief binnenboord te houden? “Die mogelijkheden zijn er”, aldus Mols. “Maar algemeen beleid is het niet, elk geval wordt apart bekeken.”
Weinig concurrentie
In het rijtje van vertrokken onderzoekers staan Elke Geraerts, Ingrid Christoffels, Iris Engelhard en Alette Smeulers. Zij namen hun veni mee. Ook Eric Rassin en David De Cremer van de eerste lichtingen van de Vernieuwingsimpuls zochten hun heil elders. Lydia Krabbendam, Susan Bögels, Peter Heeringa en Ineke Wessel vertrokken met hun vidi; Niels Schiller en Chantal Kemner met hun vici.
Toch is er niet alleen adieu gezegd. Vier kozen er juist voor deze universiteit. Aagje Swinnen van de faculteit cultuur- en maatschappijwetenschappen promoveerde in Gent en ontdekte dat ze als Vlaming een veni kon indienen, mits ze een Nederlandse universiteit kon vinden die haar wilde aanstellen. Dat werd de UM. Epidemioloog en voedingskundige Ilja Arts kwam uit Wageningen, techniekhistoricus Andreas Fickers uit Utrecht en vidi-laureaat Leon de Windt verruilde het Hubrecht Instituut in Utrecht voor de Maastrichtse geneeskundefaculteit.
De redenen om te vertrekken zijn verschillend. Voor de een was het de privé-situatie: het gezin of de partner woonde al in een andere stad. Een ander kreeg een aantrekkelijker aanbod, de kans om hoogleraar te worden of een onderzoekscentrum op te zetten. Vaak bleek het onderzoek ook beter aan te sluiten bij een onderzoeksgroep elders. En dan is er nog de lange staat van dienst. Na tig jaren aan de UM – studie, aio, postdoc, universitair docent – had menigeen behoefte aan een andere omgeving.
En hoe zit het met het wegkapen van supertalenten? Menig universiteit zou haar pijlen kunnen richten op VI-laureaten van andere instellingen. NWO concludeerde in het evaluatierapport niettemin dat universiteiten “elkaar weinig beconcurreren om VI-laureaten binnen te halen”, bijvoorbeeld met gunstige randvoorwaarden en faciliteiten. Volgens rector Gerard Mols zijn er geen afspraken tussen universiteiten om elkaar te ontzien. Beleidsmedewerker Erik Drenthe: “Alle disciplines weten vrij precies waar de goede mensen in dat vakgebied zitten, dus als je iets wilt of een vacature hebt, dan pols je betrokkenen. Dat is van alle tijden. Het gaat nu wat gestructureerder omdat de concurrentie om talent, ook internationaal, flink is toegenomen. Omdat de VI-procedure inmiddels een zekere status heeft gekregen, wordt ook en vooral naar de VI-laureaten gekeken.”
Wie kwam en wie vertrok?
Van Maastricht naar Amsterdam: Alette Smeulers (Luxemburg 1967), universitair hoofddocent VU, hoofd van het Amsterdam Centre on International Crimes and Security en directeur van het masterprogramma International Crimes and Criminology.
Beurs: veni 2005, A Criminological approach to Individual Criminal Responsibility to International Crimes. Een onderzoek naar daders van internationale misdrijven als genocide – hoe worden ze berecht en hoe zouden ze moeten worden berecht.
“Ik deed een veni-aanvraag en de Maastrichtse rechtenfaculteit was heel positief, zeker toen ik de beurs kreeg. Maar tegelijkertijd was het duidelijk dat mijn onderzoek niet tot de speerpunten behoorde. Ze vonden het prima als ik op mijn eilandje bleef zitten, maar het voelde alsof ik hen er niet mee lastig moest vallen. Ik werd als het ware gedoogd. Het voelde als een belemmering. Ik had allerlei plannen voor een onderzoekscentrum en een master, maar bij de anderen was het enthousiasme ver te zoeken. De Vrije Universiteit in Amsterdam gaf me wel die ruimte: ik kreeg een nieuwe onderzoekslijn, kon een onderzoekscentrum opzetten en een nieuwe master. Deze loopt goed. Elk jaar worden er zo’n 25 tot 30 talentvolle studenten uit alle werelddelen geselecteerd.
“Ik vond het jammer om weg te gaan. Ik was graag in Maastricht gebleven, maar ik kon er mijn ei niet kwijt en dat was frustrerend. In Amsterdam kreeg ik meteen een aanstelling als universitair hoofddocent. In Maastricht zou ik dat nooit zijn geworden, dat is me met zoveel woorden gezegd. De reden? Geen idee. Ik was goed in onderzoek en onderwijs, maar uhd zou er nooit van komen, zei men.”
Van Maastricht naar Rotterdam: Eric Rassin (Maastricht 1969), bijzonder hoogleraar rechtspsychologie EUR
Beurs: Vernieuwingsimpuls 2001 (pas in 2002 zijn er drie subsidievormen gekomen, Rassins beurs is te vergelijken met een vidi), The devil made me do it: Intrusive thoughts, thought suppression, and legal ramifications. Een onderzoek naar mentale controle. Hoe toerekeningsvatbaar zijn mensen die een misdrijf plegen en zijn aangezet door bijvoorbeeld stemmen in hun hoofd?
“Ik heb rechten en gezondheidswetenschappen gestudeerd in Maastricht. Toen ik mijn subsidieaanvraag deed, was ik in dienst van de rechtenfaculteit. Ook had ik een nul-aanstelling bij psychologie. Ik wilde eigenlijk een vaste aanstelling in Randwyck, ik voelde me er meer thuis. De onderzoeksmethodologie is heel anders, de psychologen hebben betere faciliteiten. Bot gezegd: een jurist zit op zijn kont en leest een pdf van een arrest op zijn beeldscherm. Hij steekt een sigaar op en maakt er een eigen samenvatting van. Een psycholoog staat veel meer met zijn voeten in de modder; hij produceert echt kennis, met behulp van vragenlijsten en moeilijke statistische berekeningen.
“Toen mijn aanvraag bij NWO werd gehonoreerd, dacht ik dat ik het gemaakt had. Ik had het idee dat Gerjo Kok en Gerard Mols, de decanen van psychologie en rechten, zouden gaan worstelen om mij in dienst te nemen. En ik hoopte dan ook dat de beurs een ticket was naar psychologie. Het liep anders. Kok wilde me geen vaste aanstelling geven omdat hij dat zag als een trap tegen de schenen van rechten.
“Ik kwam toevallig in contact met Henk Schmidt, hoogleraar psychologie, die in Maastricht had gewerkt en naar Rotterdam was vertrokken. Daar kon ik ook aan het werk. Het onderhandelingsproces aan de UM had een deuk opgelopen en doorgroeien tot hoogleraar of zelfs universitair hoofddocent zou moeilijk worden.
“De relatie met mijn ex-werkgever was bekoeld. Het heeft even geduurd voordat ik mijn gezicht weer kon laten zien in Maastricht.”
Van Maastricht naar Utrecht: Iris Engelhard (Maastricht 1969), hoogleraar academisering van de geestelijke gezondheidszorg UU
Beurs: veni 2003, Experimental research of mechanisms involved in the onset and persistence of PTSD. Een onderzoek naar het ontstaan van het posttraumatisch stress syndroom.
“Marcel van den Hout was mijn promotor in Maastricht. We zaten bij DMKEP, het departement medische, klinische en experimentele psychologie. Van den Hout vertrok naar Utrecht, mede door alle verwikkelingen (de medische faculteit wilde bezuinigen op het onderzoeksinstituut EPP waar het onderzoek van DMKEP was ondergebracht. Het instituut was volgens geneeskunde minder toonaangevend dan het zelf dacht, red.). Hij vroeg of ik meeging. Ik had mijn veni-aanvraag gedaan en een tijd later speelde dit. Ik werkte met Marcel samen en dat ging heel goed. Het was een reden om ja te zeggen tegen Utrecht. Bovendien wilde mijn partner al een tijdje naar de Randstad.
“De groep klinische psychologie in Utrecht had echter geen traditie in experimenteel onderzoek. Ik kende er niemand, behalve Marcel en een aio die meekwam. Verder had ik niet alle faciliteiten zoals ik gewend was in Maastricht. De UM heeft uitstekende labs waar je mensen computertaken kunt laten doen en tegelijkertijd hun lichamelijke reactie kunt meten.
“Ik vond het jammer om weg te gaan, maar het voelde tegelijkertijd als een goede keuze. Ik was in Maastricht afgestudeerd en gepromoveerd en was toe aan iets nieuws. Het is dus niet zo zwart-wit.”
Van Wageningen naar Maastricht: Ilja Arts (Boxmeer 1970), universitair docent, epidemioloog en voedingskundige UM
Beurs: veni 2004, The behaviour of dietary flavonoid metabolites during chronic inflammation. Hoe gedragen flavonoïden zich tijdens ontstekingsreacties? Flavonoïden zijn stoffen die van nature voorkomen in groente en fruit, en in sommige dranken zoals thee en wijn. Het zijn sterke antioxidanten en ze hebben mogelijk allerlei gunstige effecten op de gezondheid.
“In Wageningen, waar ik voeding studeerde en vervolgens ook promoveerde, haalde ik mijn veni binnen. Ik zag op een gegeven moment een vacature als universitair docent bij de vakgroep epidemiologie in Maastricht en uit nieuwsgierigheid belde ik op. Ze hebben me overtuigd om naar de UM te komen. Deze universiteit biedt goede mogelijkheden om interdisciplinair onderzoek te doen. Ideaal voor iemand als ik die zich op het grensvlak van twee gebieden bevindt: laboratorium én epidemiologisch onderzoek. Nederland kent namelijk maar weinig plekken waarin deze twee werelden worden gecombineerd. Op dit moment zet ik een nieuwe onderzoekslijn op in moleculaire epidemiologie. Ik probeer oorzaken en prognoses van ziektes te achterhalen door profielen van biomarkers te meten. Dat zijn stoffen die we in urine, bloed of teennagels vinden en iets zeggen over het functioneren van het lichaam.
“Een loyaliteitsconflict? Nee. Mijn oude werkgever begreep mij volkomen. Ik heb er nog steeds goed contact mee.”
Van Utrecht naar Maastricht: Andreas Fickers (St Vith, België 1971), universitair hoofddocent UM
Beurs: veni 2005, Television as a conservative revolution? Een vergelijkend historisch onderzoek naar de opkomst van televisie in Engeland, Duitsland, Nederland en Frankrijk. Wat was de relatie tussen het ‘oude medium’ radio en het ‘nieuwe medium’ televisie?
“Als techniekhistoricus in het Instituut voor Media en Representatie in Utrecht was ik een vreemde eend in de bijt. Niemand was met technologie bezig, terwijl dat bijvoorbeeld in Maastricht een heel prominent onderzoeksthema is, net als European Studies en Media Studies. Mijn onderzoek bevindt zich op het grensgebied van deze drie onderwerpen en daarom pas ik zo goed in Maastricht.
“Vanuit Utrecht werkte ik al een tijdje samen met Karin Bijsterveld (historica, hoogleraar die onlangs een vici heeft binnengehaald, red.) en zij wees mij op de vacature van universitair hoofddocent in haar faculteit. Utrecht wilde me niet kwijt, ze boden me zelfs een bijzonder hoogleraarschap aan. Ik koos toch voor Maastricht, ik wilde na vijf jaar Utrecht iets anders en paste beter in het profiel van de UM. Het was twee jaar na de honorering van mijn veni.”