Twee weken terug kwam mijn ex bij me eten. Althans, ik noem haar mijn ex, maar volgens mij refereert zij aan mij, voor zover ze dat ooit doet, als “twee maanden verstandsverbijstering”. Zo implodeerde de boel ook destijds: ik had al mijn hopen en dromen aan haar opgehangen, en zij vond het wel oké zolang het niet te serieus werd. We zien elkaar nog wel eens, en wisselen dan tijdens een drankje anekdotes uit over mensen die de ander niet kent, en mooie kroegverhalen. Echt hoogte van haar krijg ik maar heel soms. Bijna nooit heb ik geweten wat ze voelde of wat ze echt vond. Vanavond zou niet anders worden; zes jaar na dato laat ze zich nog steeds amper in de kaart kijken. Zodoende had ik maar een behoorlijke batterij wijn ingeslagen: opdat ze met een goede slok op me wel zou toelaten, zogezegd. Kamer opgeruimd, bed verschoond, je verwacht er niks van, maar in het onwaarschijnlijke geval dat het toch mocht gebeuren wil je dat er gevreeën kan worden zonder dat ze halverwege een vieze sok onder haar hoofd vandaan trekt.
We eten, we drinken en we lullen. Eerst over haar avonturen in NYC die me niet zoveel boeien. Over wat we willen met onze levens, zij is net afgestudeerd en ik bijna. Over haar vriendinnen, die saai en burgerlijk met hun vriendjes op de bank zitten. Vooral die ene, die vanuit haar vinexhut iedereen laat weten hoe heerlijk ze het vindt om niet meer elke avond naar de kroeg te hoeven. Bweeh, vinden we allebei. Tegelijk weet ik dat een deel van me best met haar in een vinexhut wil gaan zitten en dan ook maar elke dag van negen tot vijf achter de balie van de Rabobank van Houten. Of zoiets. De wijn is op, we moeten naar de stad.
De avond vordert en we worden echt, echt kachel. Maar we hebben het over echte dingen. Wat ze wil, en wat ze vindt. Ze noemt zichzelf een autist. Ze vraagt me wat ik van haar ‘wisselende contacten’ vind. Ik vertel haar naar waarheid dat ik geen oordelen vel, maar dat het nog steeds wel pijn doet.
Ik breng haar thuis, en voor haar huis zoenen we een beetje. Tenminste, ik zoen haar, en zij tolereert het voor even. Ik loop weg en veeg iets vochtigs uit mijn ooghoek. Zes jaar later en geen stap verder. Maar ik voel iets, en dat is meer dan ik van de afgelopen paar jaar kan zeggen.