Een half uur later dan gepland sta ik op 4 mei met het boek ‘Door de Holocaust verbonden’ onder de arm de 84-jarige Jenny Gold op perron 3B op te wachten. Zij is één van de auteurs van dat boek, samen met haar man, de arts Ellis Hertzberger, die ze in de oorlog in kamp Westerbork heeft ontmoet. Ik verwacht dat ik net als bij György Konrad een paar weken tevoren, als de trein is leeggelopen op een inmiddels leeg perron in de verte mijn gast zal zien die me traag en moeizaam nadert. Mijn gedachten gaan terug naar hem en naar een memorabele week samen. Door de IJslandse aswolk werd hij gedwongen zijn verblijf in Maastricht tot zes dagen te verlengen. Genoeg tijd om mij een blik te gunnen in het leven van de mens achter de schrijver. Om mij te confronteren met het feit dat in het lichaam van één van de grootste schrijvers van de 20e eeuw nu sporen zijn te zien van oorlog en jodenvervolging en van de daarop volgende 44 jaar communistische regime… Plotseling klinkt er vlak voor me op borsthoogte een haast beschuldigend: “Hoe komt u aan dat boek? Ik maak er anders helemaal geen reclame voor, als u dat maar weet.” Ik besef: vanaf dit moment ligt de regie in de handen van deze kordate vrouw. Op mijn vraag of ze een goede reis heeft gehad, antwoordt ze: “Ach meneer, er zijn alleen maar aardige mensen op de wereld.”
’s Middags bezoekt ze het graf van haar moeder op het joodse kerkhof aan de Tongerseweg. ’s Avonds verhaalt ze in een bomvolle Cellebroederskapel over haar jeugdjaren in Maastricht, de eerste oorlogsjaren op het meisjeslyceum aan de Grote Gracht, ‘de drie jaar durende tocht door de kampen’ Westerbork, Theresienstadt, Auschwitz, Stutthof, Praust en Kokoschka, waar ze in april 1945 wordt bevrijd, en haar terugkeer naar school waar al die jaren schijnbaar niets is veranderd. Haar verhaal doet ze staande. Helder, zorgvuldig formulerend. De serene ruimte van de kapel vult zich met stilte, verdriet, mededogen, bewondering.
Waar de belangstelling verdwijnt, verdwijnt ook de herinnering: als een spons absorbeert het publiek mevrouw Hertzbergers ervaringen. Na mijn slotwoord grijpt ze in: “Nee, nee, het is nog niet afgelopen. Ik had met u afgesproken dat ik nog een gedicht van Annie M.G. Schmidt zou mogen voordragen: een gedicht over laarzen.” Minutenlang declameert ze uit het hoofd. Ze is onvermoeibaar. Een half uur later dan gepland verlaten we de kapel. Nog één keer wil ze een blik werpen op de deur waardoor ze in de jaren veertig zo vaak is gegaan: de entree van het voormalige Jeanne d’ Arc-lyceum. De ontroering is zichtbaar. We lopen verder, richting Vrijthof, waar de stad zich niks lijkt aan te trekken van 4 mei. De cafés zijn als altijd open, de verwarmde terrassen bezet. Het Vrijthoftheater loopt leeg na een avondje Youp. Enkel boekhandel De Tribune maakt met een paar oorlogsboeken in de zijkant van de linkeretalage duidelijk dat er vanavond iets te herdenken valt. Achter ons passeert een luid brallend groepje dronken Duitse studenten. Ik denk aan soldatenlaarzen, aan stukgeslagen ruiten. “Ach meneer, er zijn alleen maar aardige mensen op de wereld.” Is dat nu wat ze veerkracht noemen?