Boven hun deur, de plek waar in het zuiden vaak een kruisje prijkt, hangt het oude bewegwijzeringbordje dat jarenlang de weg wees naar Carim, het instituut hart- en vaatziekten. Gered uit handen van de slopers, lacht Riet Daamen. Ze verhuisde afgelopen november samen met collega en kamergenoot Esther Willigers van drie hoog naar niveau één van de Universiteitssingel 50. “Een uithoek”, concluderen de twee managementassistenten eensgezind. En voor de meesten dus onvindbaar. De eerste tijd hing daarom de grote Carim-vlag op de gang. Maar die moest het veld ruimen toen de nieuwe bewegwijzering werd aangebracht. “Heb je die gezien”, vraagt Daamen terwijl ze vol ironie naar het bord op de gang wijst. “Kijk, het staat er in het Nederlands en het Engels: ‘Bedrijfsbureau cardiovascular diseases’ en ‘School Office cardiovascular diseases’.”
Of de verslaggever koffie uit een Carim-mok wil? “Het is een van de laatste, ze zijn al zo’n tien jaar oud. Met ons eigen logo erop. Dat mag dus dadelijk ook al niet meer door die nieuwe huisstijl.” Als Daamen naar de koffieautomaat loopt, steekt de financiële directeur van Carim, Rob van der Zander, grinnikend zijn hoofd om de deur. “Ah, daarom hebben ze gisteren opgeruimd”, zegt hij. Onzin, brommen de dames even later.
“Heb je gelezen wat er op die mok staat?”, wil Daamen weten als de koffie dampt. ‘Ik werk bij Carim’ staat er geschreven en ‘Ik werk bij Carim’. Daar mag Observant even over nadenken, vinden de twee die al sinds 1992 een kantoor delen. “Een mooi einde voor het artikel, bedacht ik vanmorgen”, suggereert Daamen.
“Zij werkt ook bij Carim, sinds een week”, lachen ze als Petra Uittenbogaard langs wandelt. “Het is hier heel leuk, zeg ik nu nog,” reageert de nieuwe collega. “Dat houden we dan zo”, vindt Daamen.
De telefoon gaat, Willigers springt op, Daamen ook.
Hun deur staat altijd open en dat moet ook. “Wij zijn eerste hulp bij ongelukken”, legt Willigers uit. “Vraagbaak voor wetenschappers, promovendi, clinici, iedereen. En we maken jaarverslagen op, onderzoeksaanvragen, enzovoort.” Hun jarenlange ervaring heeft hen aardig wat mensenkennis opgeleverd. Cardiologen pikken ze er zo uit. “Die hebben iedere dag 24-uurs dienst. Alles moet altijd acuut, nu. Ze zijn ongeduldig en denken dat wij ook 24 uur per dag werken. Een wetenschapper is ook ongeduldig hoor, maar die weet dat het schrijven van een onderzoeksaanvraag vaak maanden in beslag neemt voor hij naar NWO of een andere organisatie kan.” Internisten zijn ook rustiger. Promovendi vinden ze soms hartverwarmend. De eerste tijd onzeker en na vier jaar apentrots op hun proefschrift.
Van der Zander loopt binnen en vraagt in het Limburgs om een bepaald boekje. “Ja, op deze kamer, zo onder ons, is de voertaal Limburgs”, zegt hij, terwijl Daamen en Willigers de kasten snel nalopen. Geen Engels? “Nee. Behalve shit.”
In de vrij kleine kamer, geheel in de Carim-kleuren rood en wit, hangt geen enkele privé-foto. Nee, zegt Willigers, “ik heb toch geen tijd om er naar te kijken, ik werk maar twee dagen”. Daamen, die een baan van vier dagen per week heeft: “Dat is mijn andere baan, zeg ik altijd.”
Wat vinden ze van het uitzicht? Dat was drie hoog beter, daar zagen ze het Savelsbos als ze ten minste tijd hadden om naar buiten te kijken. “Nu zien we de mensen het gebouw binnenkomen en weer uit gaan.” Lachend: “We mogen natuurlijk geen conclusies aan het tijdstip verbinden.”
En die bos bloemen? “Die hebben we van Mat gekregen, Mat Daemen, de wetenschappelijk directeur. Nee geen familie”, zegt Riet Daamen met dubbel a. “Mat heeft een CTMM-subsidie binnengehaald. Net als twee andere collega’s. Dat vieren we vandaag met een informele borrel, het college van bestuur hebben we ook uitgenodigd. De bloemen zijn van het college.”
Riki Janssen