“We herhalen steeds opnieuw de boodschap dat het niet nodig is om tien publicaties per jaar te hebben. Het gaat om de kwaliteit van wat je doet. En als dat, naast onderwijs, één mooi artikel is, dan is dat oké. Toch zijn mensen altijd geneigd meer te doen.” Dat zei de nieuwe rector Jan Smits onlangs in zijn afscheidsinterview als decaan van de rechtenfaculteit. Er verschijnt een brede glimlach op de gezichten van Boukje Compen, universitair docent bij de FHML, en Therese Grohnert, universitair hoofddocent bij de SBE. Ze zijn lid van de Maastricht Young Academy, houden zich bezig met docentprofessionalisering en hebben betrokken leidinggevenden die zeggen: “Doe je niet te veel? Pas goed op jezelf.” En, net als de nieuwe rector: “Je hoeft niet zoveel te publiceren.”
Heel aardig, zeggen de twee, maar als puntje bij paaltje komt zit de academische wereld buiten hun vakgroep toch nog net wat anders in elkaar. Compen: “Onlangs boog een onafhankelijke facultaire commissie, die bestaat uit mensen die mij niet kennen, zich over mijn cv om te beoordelen of ik in aanmerking kwam voor promotie. Zij vragen naar documenten en dan blijken het aantal publicaties en de impactfactor [hoe vaak is een artikel geciteerd] heel belangrijk, terwijl ik – conform mijn contract – de meeste tijd aan onderwijs (40 procent) en docentprofessionalisering (40 procent) besteed, en slechts een dag in de week (20 procent) tijd heb voor onderzoek.” Ze is afgelopen zomer bevorderd tot UD1, de hoogste UD-rang, maar kreeg wel de boodschap dat het qua publicaties “nog geen denderende score was”. Ook was ze volgens de commissie weinig in de media.
Harde feiten
Herkenbaar, vindt Grohnert. “En dit gebeurt niet alleen binnen de UM. Ook als je bij NWO [landelijke onderzoeksfinancier] een subsidie aanvraagt zijn de traditionele criteria nog altijd van groot belang. Men probeert dat te ondervangen door een ‘narratief cv’ waarin je uitlegt wat je allemaal hebt gedaan, maar een cultuurverandering vraagt veel tijd. We praten over Erkennen en Waarderen, over academisch burgerschap, we willen dat wetenschappers niet op alle vlakken hoeven te excelleren en we willen erkenning voor de talrijke rollen - begeleiding PhD-kandidaten, geven van onderwijs, managementtaken, onderzoek, enzovoort. Maar die harde feiten geven de beoordelaars, denk ik, een gevoel van controle. Zij zijn immers zelf in deze traditie opgevoed.”
En vanwege die oude criteria halen de twee met gemak de 40 (Compen) en 38 uur (Grohnert) die in hun contract staan. De extra tijd steken ze in het organiseren van congressen, managementtaken, Maastricht Young Academy, en tal van andere klussen die in hun ogen horen bij een goed academisch burgerschap. Dit laatste maakt geen officieel onderdeel van de functieomschrijving uit, maar er wordt stilzwijgend vanuit gegaan dat wetenschappers er een bijdrage aan leveren. “Niemand zegt dat het moet, we doen het ons zelf aan, maar als je het doet, word je er enorm voor beloond: in promotiekansen en het binnenhalen van onderzoeksgeld”, weet Grohnert.
Overuren
Hoe zit het met hun werk-privébalans? Verrassend genoeg valt die helemaal niet slecht uit. Een zeven voor Grohnert en een acht voor Compen. Hadden we dezelfde vraag drie tot vier jaar eerder gesteld, dan was het een dikke onvoldoende geweest, concluderen ze eensgezind. Alles heeft te maken met ervaring, met gewenning aan een functie – UD en UHD – waarin je veel ballen tegelijk in de lucht moet houden en een hoop verantwoordelijkheid hebt.
De overgang van promovendus en postdoc naar het UD-schap is een grote, weten ze uit eigen ervaring. “Een PhD- of postdoc-traject, dat vooral om onderzoek draait, bereid je niet voor op werken in de academie.” Eenmaal UD stapelt het werk – van managementtaken tot PhD-begeleiding – zich op, zegt Compen die nu officieel één dag (Grohnert twee) voor onderzoek overhoudt. “Je hebt vooraf geen idee wat er allemaal bij komt kijken.” Grohnert: “Je wordt in het diepe gegooid en moet het zelf uitzoeken. Als promovendus had ik vijf vergaderingen in de week, nu heb ik er tien op één dag. Tegelijkertijd komen er dagelijks zo’n zestig tot zeventig mails binnen.” Los daarvan is de relatieve vrijheid van een promovendus ook verdwenen. Compen: “Ik kon toen grotendeels mijn eigen tijd indelen. Nu staat mijn agenda heel lang van tevoren al best vol met onder andere docentprofessionaliseringstrainingen waarmee niet te schuiven valt. Dat viel me echt tegen en gaf me in combinatie met de vele mails over lopende zaken een gevoel van haast.”
‘Ik mag blijven, tenzij’
Wat het voor Grohnert in haar beginjaren als universitair docent extra zwaar maakte, was de oude regeling dat de faculteit pas na vijf jaar besloot of de UD in kwestie een vast contract kreeg. “Dat gevoel van ‘ik mag blijven, tenzij’ gaf veel stress. Nu ik een vaste baan heb en ook veel beter weet waar ik sta binnen ons departement, is die existentiële twijfel weg.” Ondanks dat gaat ze zuinig met haar energie om, ze moet wel, want ze kampt al vier jaar met long covid. “Ik zat in een rolstoel maar kan nu weer 1,5 tot 2 uur wandelen. Een enorme vooruitgang. Ik heb in het ziekenhuis geoefend om mijn grenzen goed te bewaken. Ik ben begonnen met acht uur werken en steeds gekeken welke taken haalbaar zijn. Ik heb nooit gedacht om van baan te veranderen, ik vind dit werk heel erg fijn, ik wil niets anders. Ik maak nog wel overuren, maar een stuk minder dan mijn collega’s die me altijd gesteund hebben. Ik werk veel thuis, doe veel online, neem pauze en heb een routine ontwikkeld om na een dag ook echt te stoppen met werken.”
Compen, die door nieuwe regelgeving al na een jaar een vast contract als UD kreeg, neemt nooit pauze. Ze begint met werken zodra ze de trein instapt van Weert naar Maastricht. Ze is de afgelopen tijd wel begonnen aan een sportopleiding ‘krachttraining op muziek’, “als afleiding, ik kon mijn werk moeilijk loslaten, ik was er ook buiten kantooruren veel mee bezig. Dat is nu minder.” Hoogstwaarschijnlijk draagt haar zwangerschap daaraan bij, net als haar vriend die regelmatig vraagt als ze weer aan het werk wil: ‘Moet dat nu? Of kan dat morgen ook?’
Het goede voorbeeld
Toen ze als promovendus in Antwerpen en Leuven meeging naar een congres, haalden haar collega’s tijdens iedere overstap de laptop boven tafel en gingen aan het werk, vertelt Compen. “Dat zou ik nu niet doen, ik vind dat geen goed voorbeeld.” Grohnert: “Het voordeel dat wij de transitie naar Erkennen en Waarderen meemaken, is dat we weten welk systeem beter is. We geven dus ook een ander voorbeeld aan onze promovendi. Als ik merk dat iemand ziek is, stuur ik die naar huis. De cultuur dat je ook met koorts doorwerkt, of doorgaat, ook al heb je al een paar dagen een ziek kind thuis, daar heb ik helemaal niets mee. Ik stuur ook geen mails in het weekend of in de avond. Dat ik soms in het weekend werk is mijn keuze. Die hoeft niemand te volgen.”
Tip aan de nieuwe rector
Wat is hun tip aan de nieuwe rector om de werk-privébalans sterk te verbeteren? “We moeten collectief nadenken hoe wij onze energie besteden. Moeten we over alles vergaderen”, vraagt Grohnert zich af. “Het is mooi dat je iedereen overal bij wilt betrekken, heel democratisch en soms ook heel belangrijk, maar het is niet altijd nodig. Ik zit wel eens in een meeting met 25 mensen en twee punten op de agenda. Er is zo anderhalf uur gevuld. Soms moeten we kunnen zeggen: regel het maar, ik vertrouw je. Ik pleit voor een maximum aantal uren vergaderen per week. De rest is voor rust en ruimte om na te denken.”
Compen knikt instemmend ja. “Verder zouden we beter gebruik moeten maken van de sterke kanten van medewerkers. Niet iedereen heeft overal talent voor. Het idee vanuit E&W dat je je mag focussen op bepaalde taken is nog niet goed geland. We verwachten nog steeds alles van iedereen. Maar niet iedereen is een goede leider of een meester in onderwijs. Hier is veel winst te behalen.”
Riki Janssen
Met medewerking van Wendy Degens