Het moet de eerste vrijdag van september 2016 zijn geweest, overdag een graad of twintig, ’s avonds vele graden kouder, dat hij als negentienjarige met zijn fiets klaarstaat bij sociëteit de Kaap in de Capucijnenstraat, samen met zo’n 150 andere aspirant-leden. “Ik had een slaapzak mee, een tas vol ‘verplichte spullen’, zoals een wit T-shirt, eten en drinken voor de ouderejaars en een cadeautje voor het bestuur.” Een papiertje met een bagagelijst was hem eerder die week in handen geduwd.
Observant spreekt de student bij Banditos in Randwyck. Hij meldde zich anoniem bij de redactie. Bij de koffiebar is het een drukte van jewelste, “ik ben niet bang dat iemand meeluistert; dat zij dan zo.” Hij twijfelt of hij met zijn naam in de krant wil. Eerst zegt hij: “Doe maar.” Maar tijdens het gesprek – “poeh, nu ik alles vertel, vind ik het toch wel heftig” – bekruipt hem een gevoel van angst. “Ze zullen hier niet blij mee zijn.” Hij blijft anoniem.
Wat wil hij bereiken met zijn ‘openbaring’? “Ik wil geen wraak nemen. Het is een waarschuwing; ik wil dat de universiteit ziet dat ze medeplichtig is vanwege de manier waarop de INKOM is ingericht. Het zijn de verenigingen en disputen die de mentoren mogen leveren en daarmee alle ruimte krijgen om nieuwelingen in te lijven en ze tijdens de ontgroening te reduceren tot nul, niks, slaaf.” Een melding heeft hij nooit gedaan bij de universiteit. “De UM is hier onderdeel van. De universiteit heeft me, via de INKOM, bij deze vereniging ‘gebracht’.”
Mooie prijs
Terug naar 2016. Op maandag 22 augustus gaat de INKOM van start. Het thema is: The Future is Now. “Ik kwam in een groep met twee vrouwelijke Circumflex-mentoren. Als snel negeerden ze de internationale studenten. Alle aandacht ging uit naar Nederlanders, of in elk geval Nederlandssprekende ‘kindjes’. Aan het einde van de eerste dag namen ze ons voor de gezelligheid mee naar een Circumflex-huis. Daar was iedereen ontzettend vriendelijk. Ze doen alsof ze heel veel om je geven. We werden overladen met opmerkingen als ‘je moet bij ons zijn’, ‘onze vereniging is dé manier om hier je weg te vinden’, ‘zonder ons is het eenzaam’.” Hij geeft zijn telefoonnummer aan de mentoren die hem de volgende dag weer overhalen naar de vereniging te komen. “Ik had niets beters te doen en ik kreeg de vorige keer gratis bier, het was leuk, dus tja, waarom niet?”
Uit e-mails van het toenmalige bestuur van Circumflex, die Observant heeft gelezen, blijkt de INKOM “een superbelangrijke week” met als belangrijkste doel: zoveel mogelijk nieuwe leden binnenhalen. Zo delen ze de leden mee dat ze “een mooie prijs” kunnen winnen voor het inschrijven van de meeste “kindjes”. Ook gedurende de INKOM volgen er aanmoedigende e-mails van het bestuur: het aantal inschrijvingen vinden ze nog niet genoeg. Het is “het moment” om kindjes “te kapen van onafhankelijk Maastricht, Tragos of Koko”. Geef studenten die al binnen zijn “een warm gevoel”, maar “kijk ook rond naar kindjes die zich wellicht nog niet correct hebben kunnen oriënteren”.
Fietstochtje
De student schrijft zich “in een dronken bui, tijdens de biercantus” in bij Circumflex en krijgt een uitnodiging om op introductie te gaan. “Ik had geen idee wat ik moest verwachten, ik was 19, jong, naïef. Ja, we gingen op kamp, maar ik dacht aan iets gezelligs, met z’n allen drie dagen in het bos survivallen, ach, dat zou ik wel redden. Ik baalde wel dat ik op vrijdag aanwezig moest zijn, terwijl ik die dag onderwijsgroep had. Maar alles moest wijken voor de activiteiten van de vereniging, ik moest mee op kamp, ‘jammer voor de UM’, werd mij meegedeeld.”
Tijdens het fietstochtje naar België sloeg de sfeer als snel om. “Er kon geen lach vanaf bij de ouderejaars die meefietsten.” Toen hij een sigaret wilde opsteken, werd hij afgeblaft: ‘Geen sigaret!’. “Ik moest erom lachen, maar ik kreeg meteen weer een snauw: ‘Niet lachen!’.”
Na vijf, zes uur fietsen, “het was al donker”, kwamen ze aan op een leeg terrein met een bungalow. Ze hadden niet gegeten, moesten naast elkaar gaan staan en hun witte T-shirt aantrekken. Zo’n twintig ouderejaars, ‘bewakers’, gekleed in een kaki uniform, pet en zonnebril, schreeuwden erop los, herinnert hij zich. “Ze waren de hele tijd agressief. Verbaal, ze hebben ons nooit aangeraakt.” Op hun T-shirt werd een nulnummer geschreven: ‘nul 73’, ‘nul 3’, et cetera. “Je werd niet meer bij je naam genoemd. Mensen vragen wel eens waarom ik toen niet ben vertrokken. Maar iedereen doet wat er van hem of haar wordt gevraagd. Bovendien ben je ontzettend moe en hongerig, dat helpt ook niet.”
Slechte nul
Het geschreeuw is hem nog het meest bijgebleven van die drie dagen kamp. “Op slechts drie centimeter afstand van je oor of met z’n tienen tegelijk: ‘Je bent niets’, ‘je bent niks’, ‘niemand vindt jou aardig hier’, ‘je bent een slechte nul’. En het erge is dat je het ook nog gaat geloven.” Voor ‘straf’ moest een nul op de grond bewegen als een slang, vertelt hij. “Ze raakte zelfs gewond aan haar wang.” En dan het slechte slapen: “Je werd om de haverklap wakker gemaakt. Je moest bij het bestuur komen en je cadeautje overhandigen, we moesten met z’n allen naar buiten of een doodsaaie documentaire kijken over vogels. Je had geen idee van tijd. Niemand had een horloge.”
Overdag werden de nullen aan het werk gezet: bomen omhakken in “het natuurschoon van meneer Jos”, zo staat er in een e-mail van Circumflex. De introductiecommissie stuurde die na afloop van het kamp naar alle aspirant-leden vanwege de vele vragen over teken. “We moesten met gevaarlijk gereedschap werken, terwijl we hartstikke slaperig waren en de bewakers dronken. Dat hakken duurde uren, zonder fatsoenlijke pauzes en eten, nou ja, ’s ochtends wat droge Brinta en ’s middags een paar boterhammen met Marmite, een kruidenpasta. En wanneer het de ouderejaars uitkwam, moesten we opdraven om hen te ‘vermaken’, door op commando ‘een leuk verhaal’ te vertellen.”
De verenigingen benadrukken dat een ontgroening voor ‘binding’ zorgt, voor een groepsgevoel. “Onzin. Ik had geen idee wie er naast me stond, het waren voor mij ook nummers. Ik had geen energie om vriendschappen te sluiten, om veel te praten.”
Gedragscode
In Maastricht is in 2009 een Gedragscode Introductietijd ingevoerd, die door de jaren heen (minimaal) is aangepast. Het gaat om een officieel UM-document dat jaarlijks ondertekend wordt door de voorzitters van de vier grote verenigingen: Koko, Saurus, Tragos en Circumflex, en inmiddels ook door de overkoepelende organisatie van onafhankelijke disputen. De student weet niet eens van het bestaan. “Hebben ze die destijds ondertekend? Had ik die moeten zien? Ik weet van niks. Ze hebben hun eigen regels.”
We nemen een aantal afspraken erbij: was er sprake van “restrictief alcoholgebruik van de aspirant-leden, alsmede de leden van de introductiecommissie, haar subcommissies en overige leden”? “De nullen kregen geen alcohol, maar de ouderejaars waren vaak dronken.” Kregen ze “tenminste zes uur aaneengesloten slaap per nacht”? Hij schudt zijn hoofd.
Als de nullen weer in Maastricht zijn, het witte T-shirt al lang niet meer wit, gaat de ontgroening door. Twee weken lang zijn er “eindeloze avonden” in een zaal van de Kaap. “We zitten daar urenlang tegen elkaar aan gedrukt, zonder eten en drinken.” De propagandamachine draait, zegt hij. “Ze herhalen steeds opnieuw dat het ‘de beste tijd van je leven’ wordt. Je leert de regels, tradities, liederen. Hier wordt duidelijk gemaakt dat je bij de groep gaat horen, dat je anders bent dan al die andere niet-leden, dan alle andere burgers van Maastricht, je mag je verheven voelen.”
Als de introductie is afgerond, volgt er een ceremonie. “The work is done. Je hoort erbij, iedereen is weer aardig. Dat is een bizarre switch.”
Weg
Terugkijkend noemt hij de kennismakingstijd “de donkerste periode van mijn leven”. En hoewel hij nog maandenlang lid blijft en verplichte diensten draait op de sociëteit (“doe je het niet, dan moet je 50 euro betalen”) concludeert hij op een gegeven moment dat hij weg wil. “Ik had geen zin meer in al die verplichtingen. Bovendien besefte ik dat ik na de zomer zelf ‘nullen’ moest gaan ontgroenen, dat wilde ik niet.” Hoe meer afstand hij nam, hoe meer hij walgde van de normen en waarden, de gewoontes en hiërarchie. Voor hem was het geen gemakkelijke opgave om weg te gaan. “Ze proberen koste wat kost te voorkomen dat je eruit stapt. Ze hebben in je geïnvesteerd.”
Hij blijft in Maastricht wonen. “Ik had hier ook nog een ander leven, met andere mensen, dat wilde ik niet allemaal opgeven.”
Zie voor de reactie van Circumflex het kader onderin