Heb jij het idee dat je aan de UM kunt zeggen wat je wil?
Illustratie: Shutterstock
Ja, dat kan, klinkt het links en rechts. Zeker in hun eigen groep voelen ze zich vrij om te zeggen wat ze willen. Maar na het eerste, spontane ‘ja’ volgen er al snel nuanceringen. “Ik vind echter niet dat je alles moet kunnen zeggen”, benadrukt Erik Driessen, hoogleraar medisch onderwijs en opgegroeid in Nederland. Respect voor de ander staat voorop. “Het is goed dat we het n-woord niet meer gebruiken, dat de Zwarte Piet-discussie er kwam, dat we ons bewust worden van zaken die nodeloos kwetsend voor een ander zijn. Wat dat betreft vind ik woke een goede beweging. Maar ik heb een hekel aan het totalitaire moralisme - mijn mening is de enige juiste - dat er nog al eens mee gepaard gaat.”
En je hoeft ook niet altijd alles te zeggen, vult Angelique de Rijk, hoogleraar arbeid en gezondheid, aan. “Wij Nederlanders staan bekend als recht voor zijn raap. Maar dat is soms heel onhandig. Ik ben cultureel sensitief, probeer me aan te passen, dat vind ik belangrijk als wereldburger.”
Tegelijkertijd loopt De Rijk ook tegen grenzen aan: “Ik woon met een vrouw, samen hebben we een kind. Ik ben daar alleen open over als er ruimte is voor dialoog en nadere kennismaking. Vermoed ik onbekendheid, vooroordelen en weinig tot geen ruimte om het gesprek aan te gaan, wat vaker het geval was met studenten uit het Midden-Oosten die ik begeleidde, dan doe ik dat niet.” Terwijl die dialoog, maar ook “het zoeken van contact en het vertellen over de diverse vormen waarin wij in Nederland leven, van wezenlijk belang zijn. Niet om te overtuigen, wel om tolerantie te bevorderen. Niet iedereen die hier werkt en studeert is immers opgegroeid en opgeleid in een open, democratische samenleving.”
Naïef
Kunnen zeggen wat je wilt? Die vraag is “onzinnig”, vindt Sally Wyatt, hoogleraar Digital Cultures, bestuurslid van de faculteit Arts & Social Sciences, geboren en getogen in Canada, maar al twintig jaar woonachtig in Nederland. Het interview is in het Nederlands. “Je kan nooit alles zeggen wat er in je hoofd opkomt.” Grinnikend: “Als ik dat zou doen, was ik allang weggestuurd. Deze vraag vooronderstelt een heel naïeve opvatting van vrijheid van meningsuiting. Je zegt nooit alles, soms uit beleefdheid, omdat een opmerking niet productief is, omdat je niet op de man of vrouw wilt spelen, of uit strategische overwegingen. En los daarvan, er bestaan sociale normen regels en wetten. Zo mag je niet oproepen tot geweld, geen hate speech verkondigen, en - heel belangrijk in een academische omgeving - je moet bewijs hebben, met feiten en argumenten komen.”
Op eieren lopen
Alexander Carlo - opgegroeid in Curaçao en promovendus aan de School of Business and Economics (SBE) - roemt de open en fijne sfeer in zijn vakgroep Finance. Hij neemt er geen blad voor de mond. Wel merkt hij in de onderwijsgroepen dat er zaken veranderen. “Ik moet in contacten met studenten steeds vaker op eieren lopen. Het kan snel mis gaan, bijvoorbeeld als ik me vergis en een verkeerd persoonlijk voornaamwoord gebruik voor een non-binair persoon. Ik heb het gevoel dat mensen sneller boos zijn en heel fel reageren. We moeten rekening houden met elkaar, maar die intense negatieve reacties als er iets fout gaat, vind ik geen goede ontwikkeling.”
Ook Hanneke Ramakers (Nederland) ziet de wereld om haar heen veranderen. Zij is als controller en projectmanager Integrale Bedrijfsvoering Finance verbonden aan de centrale afdeling Finance en moet concluderen dat de vrijheid van meningsuiting aan erosie onderhevig is. “Sinds het voorval tussen de studentengroep Feminists of Maastricht en Observant een jaar geleden (Observant weigerde toen om het woord vrouwen in combinatie met menstrueren te vervangen door ‘mensen’, met alle gevolgen vandien) heb ik het idee dat een normale discussie over dit soort zaken niet meer gevoerd kan worden. Medewerkers houden liever hun mond, ze spreken zich niet uit want dat zou ze wel eens duur kunnen komen te staan. Dit is een ontwikkeling in de hele maatschappij. Er wordt niet meer geluisterd, er is geen respect voor elkaars mening. Het is of meteen helemaal goed of helemaal fout.”
Cancel culture
Daar sluit Nico Rasters (Nederland), ICT-medewerker bij de School of Business and Economics, zich bij aan. “Als het gaat om mijn werk heb ik er geen problemen mee om mijn mening te geven, ook niet als die kritisch is, maar diversiteit is een ongemakkelijk onderwerp. Als je kijkt naar het buitenland zijn er genoeg gevallen bekend van cancel culture. Dat is het wapen van de woke-beweging: iemand uitschakelen door er bijvoorbeeld voor te zorgen dat diegene zijn baan verliest. Of je wordt op internet uitgescholden. Ik ben er niet op uit om iemand te kwetsen, maar als iemand mijn mening verkeerd interpreteert heb ik daar geen controle over. En wat als studenten dan gaan klagen over mij? Wat doet de UM dan?”
Albertine Zanting, senior beleidsmedewerker internationalisering en onderzoeker culturele diversiteit, begrijpt de huiver, maar vindt dat geen reden om niet over diversiteit en inclusie te praten. “Laat gevoeligheden en weerstand er zijn. We zijn allemaal verschillend, al die perspectieven hebben we nodig om met z’n allen beter met diversiteit om te gaan. Soms raak je daarbij aan heilige huisjes, dan wil je iets veranderen dat voor iemand heel erg belangrijk is – dat moet je erkennen.”
Vind jij dat je mag en kunt zijn wie je bent aan de UM?
Foto: khamkhor via Pixaby
Ja, ja, ja. Er is veel eensgezindheid. Promovendus Carlo voelt zich niet beperkt, op geen enkele wijze. “Ik ben bijvoorbeeld nooit aangesproken op mijn kleur, terwijl Curaçaose vrienden, wel vaker te maken hebben met racistische opmerkingen. Ze zijn wat donkerder van kleur en werken overigens niet aan de UM.”
Thomas Gültzow, universitair docent sociale psychologie afkomstig uit Duitsland, vindt de sfeer bij zowel Work and Social Psychology als de vakgroep Health Promotion (bij FHML) waar hij eerst werkte “heel open. Ik kan het gewoon over mijn vriend hebben, ik heb nooit het gevoel gehad dat ik dat onderwerp moet vermijden.” Ook in de onderwijsgroep is hij open over zijn homoseksualiteit. “Ik vind het belangrijk om te laten zien dat er aan de UM ook docenten zijn die tot de LGBTQI+-gemeenschap horen.” Hij krijgt alleen positieve reacties.
Makkelijk
Driessen - “wit, man, hetero, hoogleraar, dat maakt het makkelijker, denk ik “ – voelt zich “als een vis in het water” aan de UM. “Ik trek me ook weinig aan van wat anderen denken. Ik ben zo iemand die bij wijze van spreken in pyjama naar de bakker zou kunnen gaan. Maar ook hier geldt weer: respect voor de ander. Het is een principiële keuze: ik doe wat ik wil, maar mijn vrijheid mag die van een ander niet beperken. Wij hebben vier kinderen, die kunnen een hoop lawaai maken, maar ik wil niet dat de buren daar last van hebben. Solidariteit is een groot goed.”
“Het is makkelijker voor mij om te zijn wie ik ben”, denkt ook Janneke Frambach, als universitair docent verbonden aan de faculteit Health Medicine and Life sciences. “Ik beheers immers alle gangbare talen - Nederlands, Engels, Limburgs - en behoor tot de witte meerderheid.” De Rijk, ook wit, wijst er juist op dat zij het Limburgs niet beheerst, maar dat dat geen obstakel was en is. Ook haar opmerking tijdens het sollicitatiegesprek 23 jaar geleden, dat haar vriendin al in Maastricht woonde, vond geen enkele negatieve weerklank. Sterker nog, een paar jaar later kwamen alle collega’s op haar bruiloft.
Sally Wyatt is wat kritischer, al heeft ook zij het gevoel dat ze erbij hoort. “Ik voel me gewaardeerd en heb het gevoel dat ik iets kan betekenen voor de UM.” Ze heeft op veel plekken binnen de academische wereld gewerkt, in Canada, Engeland en Nederland. De UM staat in haar top twee, lacht ze, “de University of East London was mijn jeugdliefde, Maastricht mijn meer volwassen liefde”.
Rollen
Wat jammer is, vindt ze, is dat mensen vaak niet verder kijken dan de rol die iemand vervult. “Voor de student ben ik de docent. Meer niet. In hun beleving heb ik geen andere verantwoordelijkheden en ook geen ander leven. Als bestuurder gebeurt iets soortgelijks. Mensen zoeken contact omdat ze iets willen. Heel logisch, maar wat ik wil zeggen: je rol is hier heel belangrijk, zo word je gezien, terwijl je zoveel meer bent. Ik heb de eerste veertig jaar van mijn leven niet in Nederland gewerkt maar in Canada en Engeland. Maar dat deel van mijn leven lijkt niet interessant, wordt niet gezien, terwijl ik ook ben wie ik ben door die eerste veertig jaar. Is dat gebrek aan interesse? Gebrek aan nieuwsgierigheid? Vraagt men niets uit beleefdheid? Ik weet het niet.”
Zanting herkent het idee van rollen. “De academische wereld is hiërarchisch. Toen ik een paar jaar geleden de stap maakte naar wetenschappelijk personeel, was ik al senior- beleidsmedewerker. Toch stond ik als PhD weer onderaan de ladder, de eerdere ervaring deed er niet toe. Als ik bij een vergadering aanschuif, vraag ik mezelf af: heb ik mijn WP- of OBP-pet op? Ik vermoed dat mijn rol uitmaakt voor hoe anderen naar mij kijken. Het zijn twee werelden met verschillende werkwijzen.”
Wat versta jij onder diversiteit en inclusie?
Illustratie: Shutterstock
“Als ik lesgeef, probeer ik een sfeer te creëren waarin iedereen zich thuis kan voelen, een sfeer waarin geen enkele vraag raar of dom is en waarin iedereen - of je nu behoort tot een minderheid of meerderheid - vrijuit kan spreken en debatteren”, vertelt promovendus Hugo Schyns, verbonden aan de SBE. Hij grinnikt. Hij doet dit ‘automatisch’, maar nu hij erover nadenkt raakt het wel aan zijn definities van diversiteit en inclusie. “Geef ruimte aan mensen van allerlei horizonten, of het nu gaat om geloof, sekse, gender, maatschappelijke positie, politieke voorkeur, cultuur, enzovoort. En zorg dat minderheden kunnen integreren.” Dat laatste betekent, voegt Driessen toe, dat “de heersende klasse soms een stapje terug doet, iets opgeeft”.
Gültzow sluit zich bij de definitie van Schyns aan: “Een organisatie moet een afspiegeling van de wereld zijn.” Inclusie gaat een stap verder, dat is “er actief voor zorgen dat iedereen zich gezien voelt.” Zelf doet hij dat bijvoorbeeld door zijn persoonlijke voornaamwoorden te vermelden op de eerste slide van zijn presentatie. Ook in relatie tot de stof kaart hij diversiteit aan. “Ik geef veel les over gedragsmodellen, daarin is nog niet veel aandacht voor diversiteit. Ik vertel dan dat onderzoek tijd nodig heeft en dat wij voorlopig dus zelf met een diverse blik naar die modellen moeten kijken.” De meeste studenten vinden zijn aanpak prettig, maar hij heeft ook wel eens een tegengeluid gehoord. “Een student zei: moeten we het hier altijd over hebben? Zolang dat op een respectvolle manier gezegd wordt, vind ik dat ook prima. Dan is het juist heel fijn om het te bespreken.”
De onbewuste standaard
Zanting doet onderzoek naar diversiteit in het medisch onderwijs. “Ik ga daarbij juist niet uit van een bepaalde definitie, maar kijk hoe de verschillen tussen mensen benoemd worden en wat voor een rol dat speelt.” In drie medische curricula die ze al onderzocht, waaronder die in Maastricht, komt een onbewuste standaard naar voren. “De patiënt is een witte man van middelbare leeftijd. Interculturele vaardigheden worden wel onderwezen, maar in een apart vak. Alsof het iets is wat afwijkt. Wij zijn druk bezig om het in het hele curriculum te integreren.”
Averechts
Rasters is duidelijk in zijn omschrijving: “Diversiteit is voor mij in ieder geval niet de woke ideologie. Die strijden voor rechten die ze volgens mij hier in Nederland allang hebben. Vaak vind ik maatregelen op dit gebied averechts werken. Als ik een vrouw op een toppositie was, dan zou ik het niet prettig vinden dat ik me moet afvragen of ik daar zit omdat ik goed ben of omdat men een quotum moest halen. Of het is nietszeggend; de UM komt met de boodschap dat ze tegen verkrachting zijn. Tja, daar is de hele wereld tegen, dat moet je niet meer hoeven uitleggen.”
Voor hem gaat het om iemands kwaliteiten en karakter. De Rijk is het daarmee eens. “Het zou er niet toe moeten doen wat je geloof, sekse, gender, ras, seksuele voorkeur, sociale status is.” Inclusie gaat voor Rasters vooral over toegankelijkheid voor mensen met een lichamelijke of psychische beperking. Ook Ramakers en De Rijk vinden dat die groep zeker niet vergeten moet worden. De laatste: “We denken aan de UM vooral aan gender, LHBTQI+, culturele en sociaaleconomische verschillen, maar dat is veel te beperkt. Neem de universiteitsgebouwen, die zijn niet erg toegankelijk voor bijvoorbeeld mensen in een rolstoel. En ook de aanwezigheidsplicht is niet te doen voor studenten die regelmatig uitvallen door ziekenhuisopnames.”
Onderzoek
Wyatt wijst nog op een ander aspect van diversiteit aan een wetenschappelijk instituut. “Je moet allerlei onderwerpen kunnen onderzoeken, met diverse methoden. En deze hoeven niet allemaal in dichtgetimmerde tijdschriften gepubliceerd te worden, laat staan allemaal in één taal, het Engels. De Nederlandse taal is met name voor veel sociale- en geesteswetenschappen belangrijk. Een onderzoek naar het Nederlandse basisonderwijs of rechtsysteem publiceer je toch niet in het Engels?”
Zet de universiteit zich voldoende in? Wat gaat goed, wat moet beter?
Illustratie: Jowan de Haan
Er is het Diversity Office, het centrum voor Gender en Diversiteit, er zijn veel projecten, er is aandacht voor diversiteit en inclusie, er zijn steeds meer vrouwen in topfuncties. De basis is goed, vindt de meerderheid.
Maar er mag soms wel meer aandacht zijn voor de mensen die al dat werk verrichten, vindt Gültzow. “Ik heb zelf bijvoorbeeld in het bestuur van UM Pride gezeten, dat is veelal gratis werk, dat gedaan wordt in de avonduren en de weekenden. Daar staat weinig tegenover, behalve dat het misschien goed is voor je cv. Maar als het gaat om loopbaanbeslissingen, dan wordt het niet meegenomen. Binnen het kader van Erkennen en Waarderen zou het mooi zijn als hier ook naar wordt gekeken.”
Gesprekken
Verder zou hij graag zien dat discussies over dit onderwerp minder binnenskamers worden gevoerd. “Ik schrok bijvoorbeeld erg toen Observant vorig jaar de frase ‘vrouwen die menstrueren’ niet wilde aanpassen naar ‘mensen’. In mijn ogen een kleine aanpassing, terwijl het voor een jonge trans persoon heel ontmoedigend is om te lezen dat het blad van de universiteit hier zo over communiceert. Er zijn nadien vast veel gesprekken geweest over dit onderwerp, ook op managementniveau, maar daar zie je niets van terug. Ook als het om nieuw beleid gaat, komt dat pas laat naar buiten. Terwijl als je laat zien dat het proces in gang is gezet, dan toon je ook dat je het onderwerp belangrijk vindt en ermee bezig bent.”
Ook Zanting wil graag weten hoe het er in de praktijk aan toegaat. “Hoe wordt er in het PGO, in toetsing, bij HR, in vergaderingen over diversiteit gesproken? Welke impliciete vooroordelen zijn er? Die kun je niet voorkomen, maar je kunt je er wel bewust van zijn. Laten we het in het hele beleid – van curriculum tot onderzoek – hebben over wat relevante diversiteit is. Dat kan ook gaan over wat een goede student is. Soms moet een tutor de deelname aan de onderwijsgroepen beoordelen. Geef je een hoog punt aan de student die vaak z’n mond opentrekt? Aan de student die goede samenvattingen maakt, of de student die maar één keer iets zegt, maar wel een heel scherpe vraag stelt? Daar moet je op reflecteren, dat heb ik gemist tijdens de Basis Kwalificatie Onderwijs. Dat soort dingen zouden er standaard in moeten zitten.”
Goede intenties
Promovendus Carlo was er tot dit interview nooit zo mee bezig, bekent hij met een glimlach. Een goed onderbouwd antwoord op de vraag is daarom lastig. “Ik zie nu overal stickers op de deur met de vraag ‘Are you okay?’ met een QR-code die je verwijst naar mensen die kunnen helpen als je iets ergs is overkomen. En sinds vorig jaar hebben we genderneutrale wc’s, liggen daar gratis tampons en maandverband, en er verschijnen steeds vaker berichten dat je je bij problemen kunt wenden tot de vertrouwenspersoon of de ombudsman. Dat lijkt me goed.”
Zijn collega-promovendus Schyns ziet die initiatieven en “goede intenties” ook. “Maar ik kan niet overzien of ze ook werken. Los daarvan is het een langzaam proces, je kunt dit soort zaken niet snel veranderen.” Het is bovendien een “ongoing” proces, het is nooit af, benadrukt Frambach. “Het is belangrijk dat er voortdurend aandacht voor is vanuit de Berg, maar het zijn de mensen op de werkvloer die het moeten doen. Sommigen zijn er erg mee bezig, anderen niet.”
Zelf is ze gelukkig met het stempel Family Friendly dat de UM sinds een tijdje draagt. “Ik ben een moeder van twee kleine kinderen met een man die in het buitenland woont. Ik voed de kinderen alleen op en vind de erkenning van het moederschap door de universiteit heel mooi. Het heeft me geholpen meer mezelf te zijn, om tegen collega’s, die overigens heel aardig en warm zijn, te zeggen: ik kan niet naar die avondvergadering, ik heb geen oppas. Of: ik moet nu weg, de kinderen ophalen. Mijn moederrol mag er zijn. Rianne Letschert zei bij haar aanvaarding van het rectorschap dat ze een ‘rector van diversiteit’ wilde zijn en heeft daarmee een beweging op gang gebracht die ik eerder niet in die mate zag aan de UM. Sinds zij er is, hangen er ook de regenboogvlaggen, dat kan geen toeval zijn?”
Ook Ramakers vindt dat er veel goed gaat, al heeft ze de indruk dat de UM zich soms verslikt in de eigen goede bedoelingen. Dan krijgt een bepaalde groep die hard op de trom slaat veel aandacht, waardoor een ander deel van de gemeenschap dat meer op de achtergrond blijft, zich buitengesloten voelt. “Het vinden van een goede balans is lastig. En soms is “nee” ook een antwoord.”
Wat zijn in zijn algemeenheid de grootste obstakels op weg naar een diverse en inclusieve universiteit?
Illustratie: Shutterstock
“Mensen zijn niet meer bereid om naar elkaar te luisteren”, concludeert onder anderen Wyatt. “Wij zijn een universiteit, onze core business - dat leren we onze studenten - is vragen stellen, luisteren en geen overhaaste conclusies trekken. Het respect voor de ander mis ik meer dan eens. Mensen zoeken steeds meer de verschillen in plaats van datgene wat ons verbindt. Wij zijn allemaal verschillend, maar hebben ook heel veel samen.”
De Rijk wijst in dit verband op het individualisme dat een veel te grote stempel op de samenleving drukt. “Inmiddels is er voor iedereen een apart hokje dat vervolgens met hand en tand verdedigd moet worden. Terwijl ieder van ons zovéél is, we zijn allemaal van alles wat.”
Open staan
De werk- en prestatiedruk binnen de academie, zowel voor studenten als medewerkers, is een van de redenen waarom mensen minder oog en tijd voor elkaar hebben, vermoedt Frambach. Terwijl het gesprek aangaan, op de gang, bij de koffieautomaat, in een pauze, heel belangrijk is om elkaar beter te begrijpen. “Je hoeft niet opeens beste vrienden te worden, maar je moet wel proberen open te staan voor de ander.”
Een mooie start zou zijn als studenten een echte internationale gemeenschap gaan vormen. De integratie laat vaak te wensen over, ziet Schyns aan zijn eigen faculteit SBE. “De meeste studenten klitten nog altijd samen met hun landgenoten. We moeten ervoor zorgen dat ze echt mixen.” Het zijn geluiden die al tientallen jaren klinken. Op de vraag hoe dat dan zou moeten, heeft ook hij het antwoord niet.
Extremisme
En dat is er dat andere obstakel dat vaak wordt genoemd: extremisme. “Het staat begrip voor elkaar in de weg”, vindt De Rijk. En het maakt mensen huiverig om zich uit te spreken, zegt Ramakers. “Ze zijn bang voor bedreigingen, willen niet worden weggezet als racist. Het gevolg is dat ze hun mond houden en niet meer voor hun mening uitkomen. Hebben we dan bereikt wat we willen?”
Rasters hekelt het “militante activisme. Je gaat tegen algemeen geaccepteerde ideeën in. Dat is goed, anders blijven we vastzitten. Maar met dwang en intimidatie je zin doordrijven, jouw wereldbeeld aan anderen opleggen, daar heb ik grote problemen mee. Er is geen dialoog, woorden en definities mogen niet meer gebruikt worden – dat vind ik een gevaarlijke ontwikkeling.”
Geschiedenis
Wat meer kennis van en gevoel voor de geschiedenis, voor wat er al is gepresteerd in het verleden als het gaat om emancipatie, diversiteit en inclusie, zou kunnen helpen, denkt Wyatt. “In de jaren ’70 was ik een van de drie vrouwen van de honderd studenten economie in Canada. Inmiddels is hier aan de UM meer dan 50 procent van de studenten vrouw. We streden toen voor een betere en eerlijkere samenleving en dat gebeurt nu door de woke-beweging ook. Er is natuurlijk nog veel te doen en te verbeteren. En we moeten blijven opletten. Mijn generatie dacht dat abortus geen issue meer zou zijn. We weten inmiddels dat het weer hoog op de agenda staat. We moeten dit samen doen.”
Riki Janssen en Cleo Freriks